Dirk van Leeuwen

Bevriezen is nog geen kennisnemen

Het digitale beslag na Landeck: HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615 en de koers van het Nederlandse strafprocesrecht

· 35 min. leestijd

1. Inleiding

Op 6 oktober 2026 heeft de strafkamer van de Hoge Raad een prejudiciële beslissing gegeven over een vraag die technisch oogt maar principieel is: mag de politie van een inbeslaggenomen smartphone een forensische kopie maken voordat de rechter-commissaris (RC) het onderzoek aan die gegevens heeft gemachtigd?1 De Hoge Raad beantwoordt die vraag voorlopig bevestigend. Tegelijk legt hij haar voor aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU), omdat het Unierecht er naar zijn eigen oordeel geen duidelijk antwoord op geeft.2

De praktische inzet is groot. Volgens het openbaar ministerie (OM) worden jaarlijks ongeveer 40.000 digitale-gegevensdragers in beslag genomen.3 Is voor elke kopie een voorafgaande machtiging nodig, dan wordt de RC de feitelijke poortwachter van vrijwel ieder modern opsporingsonderzoek. Het alternatief is dat ‘spoed’ de standaard wordt, en daarmee een lege huls.

De beslissing is echter meer dan een werkinstructie. Zij dwingt tot begripsvorming die het Nederlandse strafprocesrecht lang heeft kunnen uitstellen: wat is ‘toegang’ tot gegevens, en waar ontstaat de inbreuk die een voorafgaande rechterlijke waarborg vergt? Bij het onder zich nemen van het apparaat, bij het kopiëren van de bits, of pas wanneer een rechercheur de gegevens leest? De Hoge Raad legt de normatieve drempel bij de inhoudelijke kennisneming. Daarmee ontstaat een gefaseerd model, waarin bevriezen nog geen kennisnemen is.

Deze bijdrage plaatst de beslissing in drie kaders. Eerst het leerstuk: van het smartphone-arrest uit 2017 via CG/Landeck naar de bijstelling van maart 2025 (par. 3). Daarna de beslissing zelf, haar dragende redenering en haar waarborgen (par. 4-7). Ten slotte de verhouding tot het nieuwe Wetboek van Strafvordering en de bredere koers van het strafprocesrecht (par. 8-9). Ik sluit af met kritische bespiegelingen, een slotsom en, voor het onderwijs, een stappenschema met discussievragen (par. 10-12).

2. De zaak, de vragen en de procedure

De feiten zijn alledaags, en dat is precies het punt. Een verdachte wordt op 19 december 2025 aangehouden op verdenking van een Opiumwetdelict; zijn iPhone wordt in beslag genomen en overgedragen aan de digitale recherche. In de vordering tot een machtiging voor het onderzoek aan de gegevens – in de praktijk inmiddels de ‘Landeck-vordering’ – meldt de officier van justitie dat ‘vanwege het spoedeisend belang’ al een forensische kopie is gemaakt, ‘bij wijze van bevriezingsmaatregel’. Voor die kopie is geen machtiging gevorderd.4

De RC stelt vast dat van spoed in de zin van de rechtspraak van het HvJ EU geen sprake is: er dreigde geen gevaar voor leven, veiligheid of gezondheid. Hij legt de Hoge Raad vier vragen voor. Kort samengevat: (1) is het maken van een kopie, of een poging daartoe, steeds een vorm van toegang die het risico van een ernstige inmenging meebrengt en dus een voorafgaande machtiging vergt, of perkt de werkwijze van politie en OM dat risico voldoende in? (2) Zo een machtiging nodig is, laat ons stelsel toe dat zij in spoedeisende gevallen achterwege blijft? (3) Wat is dan een spoedeisend geval, en hoe verhoudt dat zich tot de ‘dringende noodzaak’ die een mondelinge machtiging rechtvaardigt? (4) Wat is het gevolg van een ontbrekende machtiging voor de beslissing op de vordering tot onderzoek?5

De procedure verdient zelfstandige aandacht. De A-G achtte de vragen ontvankelijk, onder meer vanwege het zaaksoverstijgend belang en het uiteenlopen van RC en OM over het begrip ‘toegang’.6 In zijn conclusie adviseerde hij de Hoge Raad de eerste vraag zélf te beantwoorden: het enkel maken van een kopie vergt geen rechterlijke toetsing, vooraf noch achteraf; voor het duiden en indexeren volstaat ‘veiligheidshalve’ een bevel van de officier van justitie; het selecteren vergt in beginsel wél een voorafgaande machtiging. Een vraag aan het HvJ EU achtte hij pas aangewezen als de Hoge Raad het kopiëren generiek op de spoeduitzondering zou willen baseren.7

De Hoge Raad kiest een derde weg. Hij geeft een voorlopig oordeel – de eerste vraag ‘zou’ ontkennend moeten worden beantwoord – en stelt in dezelfde beslissing een prejudiciële vraag aan het HvJ EU. Die luidt, kort gezegd, of het Unierecht, in het bijzonder Richtlijn 2016/680, zich verzet tegen het maken van een voor mensen niet leesbare en niet analyseerbare kopie van een inbeslaggenomen smartphone, of een poging daartoe, zonder voorafgaande rechterlijke toetsing.8 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Ondertussen ‘kan worden uitgegaan van’ het voorlopige oordeel.9

Zo ontstaat een dubbele prejudiciële keten: RC → Hoge Raad → HvJ EU. Dat de Hoge Raad, anders dan de A-G, geen acte clair aanneemt, past bij de strenge maatstaf die het HvJ EU sinds Consorzio Italian Management aanlegt: voor de hoogste rechter volstaat niet dat één lezing overtuigender is, zolang een andere redelijkerwijs verdedigbaar blijft.10 Het voorlopige oordeel is het instrument waarmee de Hoge Raad de rechtspraktijk intussen niet laat stilvallen. Op de status ervan kom ik in paragraaf 7 terug.

3. Het leerstuk tot nu toe: van ernst-van-de-inbreuk naar Unierechtelijke voorafgaande toetsing

3.1 Het smartphone-arrest (2017): een nationaal, ex post gestuurd model

Het Wetboek van Strafvordering kent tot op heden geen specifieke regeling voor onderzoek aan inbeslaggenomen gegevensdragers. In 2017 vond de Hoge Raad de grondslag in het samenstel van de beslagbepalingen (art. 94 jo. 95 en 96 Sv). Voor een beperkte inbreuk – het raadplegen van ‘een gering aantal bepaalde’ gegevens – is een opsporingsambtenaar bevoegd. Leidt het onderzoek tot een ‘min of meer compleet beeld’ van bepaalde aspecten van iemands persoonlijk leven, dan kan het onrechtmatig zijn zonder betrokkenheid van de officier van justitie of, bij een op voorhand zeer ingrijpend onderzoek, de RC.11

Kenmerkend voor dit model zijn drie dingen. De maatstaf is de ernst van de inbreuk, gemeten aan het resultaat van het onderzoek. Het model is gelaagd naar autoriteit: opsporingsambtenaar, officier van justitie, RC. En de normering werkt grotendeels achteraf: of de grens is overschreden, beoordeelt de zittingsrechter in het kader van art. 359a Sv. Dat sloot aan bij de Nederlandse traditie, waarin de officier van justitie als magistraat geldt en rechtsbescherming zich vooral aan het einde van de procedure voltrekt.

3.2 De Unierechtelijke kentering: Prokuratuur en CG/Landeck

Die traditie kwam onder druk van buitenaf. In Prokuratuur oordeelde het HvJ EU dat de toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens afhankelijk moet zijn van voorafgaande toetsing door een rechter of onafhankelijk bestuursorgaan, en dat het OM daartoe niet kwalificeert.12 De Hoge Raad trok daaruit in 2022 de consequentie voor vorderingen van verkeersgegevens: in plaats van de officier van justitie toetst voortaan de RC, desnoods via een mondelinge machtiging die binnen drie dagen op schrift wordt gesteld.13

CG/Landeck (2024) bracht dezelfde logica naar de gegevens op de inbeslaggenomen telefoon, nu onder Richtlijn 2016/680. Drie elementen zijn voor het vervolg beslissend. Ten eerste het ruime verwerkingsbegrip: wie een telefoon ‘manipuleert’ om gegevens op te vragen en te raadplegen, initieert een verwerking, ook als de poging technisch mislukt.14 Ten tweede de evenredigheidsmaatstaf: de ernst van de beperking hangt af van de aard en gevoeligheid van de gegevens waartoe toegang kan worden verkregen, het belang van het nagestreefde doel, de relatie van de eigenaar tot het feit en de relevantie van de gegevens.15 Ten derde de procedurele kern: brengt de toegang het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging mee, dan moet zij afhankelijk zijn van voorafgaande toetsing door een rechter of onafhankelijk bestuursorgaan, ‘voorafgaand aan elke poging tot het verkrijgen van toegang’, behalve in naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen.16

3.3 De bijstelling van maart 2025: de RC als hoofdregel

In zijn arrest van 18 maart 2025 stelde de Hoge Raad zijn rechtspraak bij.17 Het drietrapsmodel verviel. Een beperkte inbreuk kan nog steeds door een opsporingsambtenaar worden gemaakt. Maar van een beperkte inbreuk is al geen sprake meer als op voorhand te voorzien is dat het onderzoek inzicht geeft in andere dan verkeers- en locatiegegevens, zoals foto’s, browsergeschiedenis, communicatie of gevoelige gegevens. Dan is, behalve bij spoed, voorafgaande toetsing door de RC vereist, omdat het OM niet als onafhankelijke instantie kwalificeert.18 Bij dringende noodzaak kan de machtiging mondeling worden gegeven; de vordering moet voldoende concreet omschrijven welk onderzoek wordt beoogd, en de verslaglegging moet de inrichting en omvang van het onderzoek laten zien.19

Twee formuleringen uit dat arrest dragen de beslissing van 2026. De eerste: of toegang het risico van een ernstige inmenging oplevert, hangt ‘mede af van de keuzes met betrekking tot de aard en de inrichting van het te verrichten onderzoek’.20 De ernst is dus geen eigenschap van het apparaat, maar van wat de overheid ermee doet. De tweede: het arrest ging over onderzoek, niet over het daaraan voorafgaande kopiëren. Precies in die lacune, door de A-G en de RC beiden gesignaleerd, landde de vraag uit Oost-Brabant.21

4. De beslissing ontleed

4.1 De praktijk als vertrekpunt: bruto data, netto data en ‘Chinese walls’

De Hoge Raad opent niet met het Unierecht, maar met de praktijk zoals het OM die beschrijft.22 Na inbeslagneming maakt een opsporingsambtenaar zo snel mogelijk een forensische kopie, omdat gegevens op afstand kunnen worden gewist of anderszins verloren kunnen gaan; vliegtuigstand of een Faraday-zak zouden dat risico onvoldoende ondervangen. De software kan niet selectief kopiëren: het resultaat is een zo volledig mogelijke één-op-één-kopie, de ‘bruto data’, die voor mensen niet leesbaar en niet analyseerbaar is.

Vervolgens worden de gegevens zoveel mogelijk geautomatiseerd omgezet in leesbare vorm. Waar de techniek tekortschiet, doen specialisten buiten het onderzoeksteam het werk. Het onderzoeksteam zelf heeft geen toegang: autorisaties scheiden de werelden. Pas na de machtiging van de RC worden de gegevens onder gezag van de officier van justitie binnen de grenzen van die machtiging geselecteerd (de ‘netto data’) en geplaatst op een locatie waartoe ook het team toegang heeft. Eerst dan, aldus het OM, ontstaat ‘inhoudelijke toegang’.23

Het OM onderbouwt deze werkwijze met vier argumenten. Een rechterlijke evenredigheidstoets moet op voldoende informatie berusten. De technische beveiliging van toestellen maakt snelheid steeds noodzakelijker. In veel zaken – sextortion, stalking, bankhelpdeskfraude, afpersing – gaat het om gegevens die het slachtoffer moeten beschermen, waarbij positieve verplichtingen tot effectieve opsporing meewegen. En een toets vóór het kopiëren zou, bij gebrek aan informatie, marginaal zijn: een ‘ja-/nee-vraag’, gevolgd door een tweede vordering voor het eigenlijke onderzoek. Die dubbele belasting van OM en RC-kabinetten zou de kwaliteit van de toetsing ondermijnen die Landeck juist beoogt.24

4.2 Twee lezingen van Landeck

De kern van het arrest is de constatering dat Landeck twee lezingen toelaat.25

In de eerste lezing is al bepalend het risico dat een overheidsfunctionaris op enig moment toegang krijgt. Aanknopingspunt is de samenhang tussen punt 102 (voorafgaande toetsing bij ‘het risico’ van een ernstige inmenging) en punt 73 (het doel van de verwerking moet vaststaan vanaf de poging tot toegang). Zodra iemand probeert de gegevens te benaderen – ook om ze slechts te kopiëren – is de toekomstige inbreuk in aanleg aanwezig; dus moet de rechter vóóraf toetsen. De Hoge Raad wijst erop dat in deze lezing het risico van wissen structureel een ‘spoedeisend geval’ kan opleveren, zodat de uitzondering de regel wordt.

In de tweede lezing is voorafgaande toetsing pas vereist als het risico zich daadwerkelijk kan verwezenlijken. Dat is nog niet zo bij een kopie die voor het onderzoeksteam ontoegankelijk is. Een toets die alleen ziet op het bevriezen, zonder dat gegevens ter beschikking komen van het team, dient ‘(op dat moment) nog geen redelijk doel’. In deze lezing is ook geen structurele spoedfictie nodig.

4.3 Het voorlopige oordeel en de dragende regel

De Hoge Raad kiest voorlopig voor de tweede lezing en formuleert de volgende regel. Aan het maken van een kopie, en aan de daaropvolgende technische handelingen om de gegevens om te zetten in voor mensen leesbare en analyseerbare categorieën – door software of door specialistische opsporingsambtenaren die geen deel uitmaken van het onderzoeksteam – hoeft geen rechterlijke machtiging vooraf te gaan. Een opsporingsambtenaar verkrijgt daardoor immers nog geen inhoudelijke toegang, zodat geen reële risico op een (zeer) ernstige inmenging bestaat. Dat risico ontstaat pas ‘als daadwerkelijk kennis kan worden genomen van die gegevens’.26

Twee nuances maken de regel scherper dan een eerste lezing doet vermoeden. Ten eerste geldt zij alleen als (technisch) kan worden gewaarborgd dat vóór de machtiging nóch het team nóch andere opsporingsambtenaren inhoudelijk kunnen kennisnemen.27 Ten tweede draait de Hoge Raad de verhouding tussen regel en uitzondering om: alleen in ‘(uitzonderlijke)’ gevallen waarin voorzienbaar is dat inhoudelijke toegang géén risico van een ernstige inmenging oplevert, kan een machtiging achterwege blijven.28 Waar het smartphone-arrest van 2017 de rechterlijke betrokkenheid als uitzondering behandelde, is zij nu, voor de inhoudelijke kennisneming, de regel.

Ten slotte wijst de Hoge Raad op een route die het probleem in veel zaken voorkomt. Is de inbeslagneming voorzien, dan kan de machtiging al vóór de inbeslagneming worden gevorderd, onder vermelding dat zo nodig eerst een kopie wordt gemaakt.29 De bevriezingsvraag speelt dus vooral bij de onvoorziene inbeslagneming: de aanhouding op heterdaad, de toevalsvondst bij een doorzoeking.

5. Analyse: waar ontstaat de inbreuk?

5.1 Drie niveaus: verwerking, inmenging, ernstige inmenging

Wie de beslissing ontleedt, ziet dat zij op drie niveaus tegelijk opereert, en dat die niveaus niet altijd scherp worden gescheiden.

Het eerste niveau is de verwerking in de zin van Richtlijn 2016/680. Dat het maken van een kopie daaronder valt, is na Landeck niet serieus te betwisten: het richtlijnbegrip is ruim en omvat onder meer het verzamelen, vastleggen en opslaan, terwijl al de poging tot toegang een verwerking initieert.30 Op dit niveau gelden de eisen van een wettelijke grondslag en doelbinding. Daarom zoekt de Hoge Raad, zoals we zullen zien, naar ‘lidstatelijk recht’ dat de werkwijze draagt (par. 7).

Het tweede niveau is de inmenging in de artikelen 7 en 8 Handvest. De A-G wijst er met een beroep op S. en Marper op dat het bewaren van celmateriaal als zodanig al een inmenging is, ook al ligt de informatie daarin nog niet voor de hand; hetzelfde gaat op voor een image.31 De analogie is sterk: in beide gevallen bewaart de overheid een bron waaruit zij later informatie kan afleiden.

Het derde niveau is de ernstige of zeer ernstige inmenging, die volgens Landeck een voorafgaande onafhankelijke toetsing vergt. Daarop richt de Hoge Raad zich terecht: de vraag is niet of kopiëren een inmenging is, maar of het een inmenging van dát gewicht is. In r.o. 6.3.2 is dat zuiver geformuleerd. In r.o. 6.3.3 schiet de formulering echter door, waar de Hoge Raad overweegt dat bij afdoende technische waarborgen ‘ook geen sprake kan zijn van een inmenging’.32 Dat verhoudt zich slecht tot S. en Marper en tot het verwerkingsbegrip van Landeck. De betere lezing is dat de Hoge Raad een ernstige inmenging bedoelt. Voor het Luxemburgse debat is dat geen detail: een verwijzing die het bestaan van iedere inmenging ontkent, nodigt uit tot een fundamenteler weerwoord dan nodig is.

5.2 Van feitelijke naar functionele toegang

De meest principiële keuze van de Hoge Raad zit in het begrip toegang. In het conceptwetsvoorstel voor het nieuwe wetboek is toegang ‘het rechtstreeks kunnen kennisnemen of overnemen van gegevens’: een feitelijk criterium.33 De A-G kenschetst de toelichting daarop als ‘dubbel abstract’. Zij gaat er abstract van uit dat het toestel gegevens bevat waaruit nauwkeurige conclusies over het privéleven kunnen worden getrokken. En zij laat abstractie van de juridische en organisatorische beperkingen waaronder de toegang plaatsvindt.34

De Hoge Raad neemt de tweede abstractie niet over. Bepalend is niet wie de bits feitelijk zou kunnen inzien, maar of een opsporingsambtenaar ‘de beschikking (en daarmee inhoudelijke toegang) krijgt over voor hem leesbare en analyseerbare persoonsgegevens’.35 Dat is een functioneel toegangsbegrip. Het risico wordt gemeten in de architectuur waarbinnen de gegevens zich bevinden, niet in de abstracte capaciteit van de staat. De A-G vatte dit samen: de betrokken specialisten kunnen feitelijk kennisnemen, maar mogen dat juridisch niet.36

Dit verklaart ook een schijnbare spanning in r.o. 6.3.3. De Hoge Raad eist dat geen enkele opsporingsambtenaar inhoudelijk kan kennisnemen, maar staat tegelijk menselijke tussenkomst van specialisten toe. Die twee zijn alleen verenigbaar als ‘inhoudelijk kennisnemen’ normatief wordt verstaan: kennisnemen met het oog op de opsporing van het feit, binnen de doelbinding die de werkwijze organiseert. De technicus die een vastgelopen extractie herstelt, kijkt wel, maar neemt niet in de relevante zin kennis.

Wie dit een te welwillende constructie vindt, kan wijzen op het Unierecht zelf. Richtlijn 2016/680 verplicht tot gegevensbescherming door ontwerp (art. 20) en tot logging van raadplegingen (art. 25). Het functionele toegangsbegrip is daarvan de strafvorderlijke pendant: rechtsbescherming by design. Het zwakke punt is evenmin verrassend. De bescherming is precies zo sterk als de architectuur, en de architectuur is in deze procedure niet door een rechter vastgesteld, maar door het OM beschreven.37

5.3 De poging en het argument uit de inbeslagneming

De sterkste tekstuele steun voor de eerste lezing is punt 104 van Landeck: de toetsing moet plaatsvinden ‘voorafgaand aan elke poging tot het verkrijgen van toegang’. De Hoge Raad pareert dit met een argument uit het ongerijmde. Als al het risico op toegang beslissend is, ontstaat dat risico al bij de inbeslagneming. Het Unierecht stelt daarvoor echter geen voorafgaande toetsing.38

Dat argument bewijst minder dan het lijkt. Het onder zich nemen van een voorwerp is geen gegevensverwerking; het ‘manipuleren’ van een telefoon om er gegevens uit te halen, volgens Landeck wel. Tussen beslag en kopie ligt dus een kwalitatieve sprong. Het werkelijke draagvlak van de beslissing ligt in het tweede argument. Op het moment van kopiëren ontbreekt de informatie voor een zinvolle ‘afweging van alle relevante elementen’, en is ook nog niet af te bakenen tot welke gegevens de latere kennisneming beperkt moet worden.39 Daarin zit de normatieve kern: een toets die niets kan wegen, beschermt niet, maar legitimeert.

Toch is ook dat argument niet absoluut. Een rechter kan op het moment van kopiëren wel degelijk iets wegen: de rol van de beslagene (verdachte, getuige of slachtoffer), de ernst van het feit en de vraag of het toestel aan een verschoningsgerechtigde toebehoort (art. 98 Sv). Juist bij de telefoon van een advocaat of journalist is een volledige image van alle communicatie een zelfstandig probleem, los van wie haar later leest. De regel van de Hoge Raad zou aan kracht winnen met een uitdrukkelijke uitzondering voor die categorie.

5.4 Bevriezen als verzegelen?

De Hoge Raad vindt steun in een arrest van het HvJ EU van 16 juli 2026 in een Portugese mededingingszaak. Daaruit volgt dat bij inspecties inbeslaggenomen telefoons van bestuurders en werknemers ‘in voorkomend geval na verzegeling’ aan voorafgaande toetsing moeten worden onderworpen. De bevriezingsmaatregel is volgens de Hoge Raad ‘tot op zekere hoogte’ met zo’n verzegeling vergelijkbaar.40

De analogie verheldert, maar haar grenzen zijn instructief. Een zegel sluit het toestel fysiek af. Een image daarentegen is een nieuwe, kopieerbare dataset in de systemen van de staat, die direct na het maken wordt bewerkt (omgezet, geïndexeerd) met het oog op later lezen. Het ‘zegel’ is hier organisatorisch. Dat verklaart waarom de A-G binnen de fase vóór de machtiging verder differentieerde: geen toets voor het kopiëren, ‘veiligheidshalve’ een bevel van de officier van justitie voor het duiden en indexeren, en een voorafgaande machtiging voor het selecteren.41 De Hoge Raad trekt kopiëren en omzetten samen onder één regime zonder bevelvereiste, maar legt de verantwoordelijkheid via art. 148 Sv nadrukkelijk bij de officier van justitie (par. 7). Die keuze maakt de verzegelingsanalogie dragender dan zij is.

6. Spoed: een uitzondering die uitzondering blijft

Het HvJ EU laat voorafgaande toetsing achterwege ‘in naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen’, mits de toetsing dan ‘op korte termijn’ alsnog plaatsvindt. Wat spoed is, heeft het Hof nooit omschreven.42 Die openheid is in het debat over de image een probleem. Het risico van wissen dreigt immers altijd. Wie het kopiëren als toegang met ernstig risico kwalificeert, moet het dus vrijwel steeds op spoed baseren. Dan wordt de uitzondering de regel, voor zo’n 40.000 toestellen per jaar.

De A-G heeft dat probleem scherp gemaakt. Als spoed in die gevallen vaststaat, en evenzeer vaststaat dat het toestel gevoelige gegevens bevat, wat toetst de rechter dan nog achteraf?43 Een toetsing achteraf die niets kan afwijzen, is geen toetsing. De parallel met het conceptwetsvoorstel is evident: daar wordt de bevriezing juist als spoedgeval geconstrueerd (par. 8).

De Hoge Raad lost dit op door het kopiëren buiten het spoeddomein te plaatsen. Omdat kopiëren geen voorafgaande toetsing vergt, is spoed alleen nog relevant voor de inhoudelijke kennisneming. En daar zal het, aldus de Hoge Raad, slechts ‘in uitzonderlijke situaties’ om een spoedeisend geval gaan. Hij denkt aan een onmiddellijke bedreiging voor het leven, de fysieke integriteit of de veiligheid van een persoon, of voor een kritieke infrastructuur, terwijl ook een mondelinge machtiging van de RC niet kan worden afgewacht.44

Daarmee ontstaat een duidelijke getrapte structuur, die tegelijk de derde vraag van de RC beantwoordt:

  1. Hoofdregel: schriftelijke machtiging van de RC vóór de inhoudelijke kennisneming.
  2. Dringende noodzaak: een mondelinge machtiging, die de RC binnen drie dagen op schrift stelt.45
  3. Spoedeisend geval: kennisneming zonder voorafgaande machtiging, uitsluitend als zelfs de mondelinge machtiging niet kan worden afgewacht en een onmiddellijke bedreiging van de genoemde aard bestaat; de toetsing volgt dan op korte termijn.

Opvallend is dat de voorbeelden van de Hoge Raad vrijwel letterlijk samenvallen met de noodgevalbevoegdheid die het conceptwetsvoorstel voorstelt (art. 2.7.40).46 De Hoge Raad leest het Luxemburgse ‘spoedeisende geval’ dus als een noodgeval in materiële zin, niet als een tijdsprobleem dat zich bij elk toestel voordoet. Dat is dogmatisch zuiver. Het scheidt twee vragen die in de praktijk door elkaar liepen. Is er een ernstige inmenging? Zo ja, kan dan het gewone toetsingsmoment niet worden afgewacht?

Voor de praktijk volgt hieruit een eenvoudige les over taalgebruik. In de onderhavige zaak meldde het proces-verbaal dat de kopie ‘vanwege het spoedeisend belang’ was gemaakt, terwijl de officier van justitie daarmee niet het spoedgeval in Landeck-zin bedoelde.47 Onder het voorlopige oordeel heeft de kopie geen spoedrechtvaardiging nodig. Wie dan toch van spoed spreekt, wekt de indruk een uitzondering in te roepen en lokt een toets uit die er niet hoeft te zijn. Het juiste vocabulaire is dat van bevriezing, niet van spoed.

7. Waarborgen en sanctionering: wie bewaakt het zegel?

7.1 De officier van justitie als garant

Een functioneel toegangsbegrip verplaatst de rechtsbescherming van het moment van de rechterlijke toets naar de inrichting van het proces. De Hoge Raad maakt daarom duidelijk wie die inrichting garandeert. Op grond van zijn gezag over de opsporing (art. 148 Sv) is de officier van justitie ‘ertoe gehouden om te verzekeren’ dat opsporingsambtenaren vóór de machtiging geen inhoudelijke toegang kunnen krijgen tot de gegevens op het toestel of de kopie.48 Dat is meer dan een inspanningsverplichting. De officier van justitie wordt de bewaker van het zegel.

Daarbij hoort verslaglegging. Uit het systeem van het strafprocesrecht volgt volgens de Hoge Raad dat de inrichting en de omvang van het onderzoek, ook voor de fase vóór de machtiging, in een proces-verbaal worden vastgelegd.49 Dat sluit aan bij de eis uit 2025 dat de verslaglegging de inrichting en omvang van het onderzoek zichtbaar maakt. Zonder die vastlegging valt achteraf niet te controleren of de ‘Chinese walls’ hebben gestaan.

7.2 Een OM-aanwijzing als ‘lidstatelijk recht’

Het meest opmerkelijke element van r.o. 6.3.4 is de suggestie van een aanwijzing van het OM op de voet van art. 130 lid 6 Wet RO. Die aanwijzing zou kunnen worden aangemerkt als ‘recht’ in de zin van art. 79 Wet RO – en dáármee als ‘lidstatelijk recht’ in de zin van art. 8 Richtlijn 2016/680.50 Volgens de Hoge Raad zou zij onder meer moeten vastleggen dat handelingen vóór de inhoudelijke kennisneming zoveel mogelijk geautomatiseerd plaatsvinden, dat de verslaglegging de inrichting en omvang van het onderzoek laat zien, en dat aan de kennisneming een rechterlijke machtiging voorafgaat.

De redenering is te volgen. Richtlijn 2016/680 eist voor elke verwerking een grondslag in het recht van de lidstaat. Die grondslag hoeft volgens overweging 33 geen formele wet te zijn, maar moet wel duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaar zijn. Bovendien moet zij procedures bevatten voor integriteit, vertrouwelijkheid en vernietiging van gegevens.51 De beslagbepalingen van art. 94 e.v. Sv zeggen over dat alles niets. De aanwijzing moet dus de specificatie leveren die de wet mist.

Dogmatisch is dat niet zonder spanning. Art. 1 Sv bepaalt dat strafvordering alleen plaatsvindt op de wijze bij de wet voorzien. De aanwijzing schept geen bevoegdheid, maar normeert een bestaande. Toch wordt een door het OM zelf vastgestelde en eenzijdig wijzigbare regeling zo de drager van de Unierechtelijke rechtmatigheid van een massaal toegepaste werkwijze. Twee kanttekeningen liggen voor de hand. Ten eerste noemt de Hoge Raad de vernietiging van gegevens niet, terwijl overweging 33 daar uitdrukkelijk om vraagt en het lot van de bruto data buiten de netto selectie onbepaald blijft. Een aanwijzing zou daarom ook bewaartermijnen en vernietiging moeten regelen. Ten tweede laat de Hoge Raad de Wet politiegegevens buiten beschouwing, terwijl die voor de politie de richtlijn implementeert en voor de verhouding tussen opslag en gebruik van de image evident relevant is.

7.3 Art. 359a Sv en het lot van de interimpraktijk

Of de werkwijze in een concreet geval zo is ingericht dat de kennisneming op een machtiging berust, is ter beoordeling van de zittingsrechter, als daarover verweer wordt gevoerd op grond van art. 359a Sv.52 Daarmee keert de normering via de achterdeur terug in het vertrouwde ex-post-model. Sinds de herijking van 2020 leidt een vormverzuim echter slechts bij uitzondering tot bewijsuitsluiting. De rechter weegt het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim, het nadeel en de verwijtbaarheid.53 De ex ante-architectuur van Landeck en de ex post-sanctionering van art. 359a Sv staan dus niet vanzelf in balans.

Dat geldt temeer voor de interimperiode. Kiest het HvJ EU straks voor de eerste lezing, dan zijn de images die intussen zijn gemaakt achteraf zonder vereiste toetsing tot stand gekomen. Maar de autoriteiten handelden dan in vertrouwen op een uitdrukkelijk voorlopig oordeel van de hoogste rechter. Bij de weging van de verwijtbaarheid ligt een vergaand rechtsgevolg dan niet voor de hand. Het voorlopige oordeel werkt zo feitelijk als vertrouwensgrondslag voor de lopende praktijk. Of dat de Unierechtelijke eis van effectieve rechtsbescherming (art. 47 Handvest) volledig recht doet, is een vraag die de Hoge Raad niet stelt, maar die in de feitenrechtspraak niet zal uitblijven.

Een laatste waarborg wordt vaak vergeten: de verdediging. De bruto data bevatten mogelijk ook ontlastend materiaal. Het ‘zegel’ beschermt de beslagene tegen de staat, maar kan ook zijn eigen toegang tot dat materiaal in de weg staan. De gefaseerde architectuur vraagt daarom om een procedure waarin de verdediging, via de officier van justitie of de RC, om ontsluiting van niet-geselecteerde gegevens kan verzoeken. Het arrest zwijgt daarover.

8. Verhouding tot het nieuwe Wetboek van Strafvordering

8.1 Van drietrapsraket naar tweesporenstelsel

Het nieuwe Wetboek van Strafvordering is in februari 2026 vastgesteld; de beoogde datum van inwerkingtreding is 1 april 2029.54 De regeling van het onderzoek van gegevens in de vaststellingswet was echter al vóór Landeck ontworpen. Zij volgde de drietrapsraket van het smartphone-arrest: een geringe, een stelselmatige en een ingrijpend stelselmatige inbreuk, met daaraan gekoppeld opsporingsambtenaar, officier van justitie en RC.55 Na Landeck en de bijstelling van 2025 was die regeling achterhaald.

De reparatie volgt in de Tweede aanvullingswet, waarvan een concept van 7 mei tot 11 september 2026 in internetconsultatie lag.56 Het concept verlegt het aanknopingspunt van ‘onderzoek van gegevens’ naar het daaraan voorafgaande ‘toegang tot gegevens’, omschreven als ‘het rechtstreeks kunnen kennisnemen of overnemen van gegevens’. De kern bestaat uit vier bepalingen:57

Daarnaast staat art. 2.7.41 ordemaatregelen toe ter voorkoming van verlies van gegevens, zoals het onderbreken van een netwerkverbinding, maar uitdrukkelijk zonder toegang.

8.2 Hetzelfde resultaat, een andere grondslag

In de uitkomst lijken wetsvoorstel en Hoge Raad dicht bij elkaar te liggen. Beide staan toe dat zonder voorafgaande rechterlijke machtiging een kopie wordt gemaakt, en beide reserveren de inhoudelijke kennisneming voor de RC. Het verschil zit in de grondslag, en die grondslag bepaalt de rest van het systeem.

De toelichting bij het concept beschouwt het overnemen al als toegang met het risico van een ernstige inmenging, en beroept zich voor de bevriezing op het spoedeisende geval uit Landeck. Dat het overnemen uitsluitend dient om gegevens afzonderlijk te bewaren en niet om ervan kennis te nemen, ‘maakt dat niet anders’.58 De Hoge Raad oordeelt omgekeerd. Er is nog geen reële kans op een ernstige inmenging, dus er is ook geen uitzondering nodig. De verschillen laten zich als volgt samenvatten.

FaseHR 6 oktober 2026 (voorlopig)Concl. A-G Van KempenConcept Tweede aanvullingswet
Begrip toegangFunctioneel: inhoudelijke kennisneming door opsporingsambtenarenConcreet: juridische en technische beperkingen tellen meeFeitelijk: rechtstreeks kunnen kennisnemen of overnemen
Kopie (image)Geen machtiging, vooraf noch achterafGeen machtiging, vooraf noch achterafBevel OvJ; RC toetst achteraf, ‘zo spoedig mogelijk’
Omzetten, indexerenGeen machtiging; specialisten buiten het team; gezag OvJ (art. 148 Sv)Geen machtiging; ‘veiligheidshalve’ bevel OvJValt onder de bevriezing of onder de hoofdregel
SelectieNa machtiging, binnen de grenzen daarvanIn beginsel machtiging voorafNa machtiging (art. 2.7.38 lid 1)
Inhoudelijke kennisnemingMachtiging RC; mondeling bij dringende noodzaakMachtiging RCMachtiging RC (art. 2.7.38 lid 1)
Grondslag zonder voorafgaande toetsGeen ernstige inmengingGeen ernstige inmengingSpoedeisend geval
Spoed of noodgevalAlleen bij onmiddellijke bedreiging, als mondelinge machtiging niet kan worden afgewachtOnzeker of standaardspoed Unierechtelijk houdbaar isArt. 2.7.40, toetsing achteraf

8.3 Wat de wetgever met het voorlopige oordeel moet

Voor de wetgever is het voorlopige oordeel ongemakkelijk, omdat het de spoedconstructie van art. 2.7.39 onder beide lezingen kwetsbaar maakt. In de eerste lezing is het de vraag of een spoedgeval dat zich bij vrijwel ieder toestel voordoet Unierechtelijk houdbaar is. De A-G betwijfelt dat, en wijst erop dat ‘zo spoedig mogelijk’ iets anders is dan het Luxemburgse ‘op korte termijn’.59 In de tweede lezing is de spoedconstructie overbodig. De rechterlijke toets achteraf is dan geen Unierechtelijke noodzaak, maar een nationale extra waarborg. Dat is toegestaan, want de richtlijn belet lidstaten niet strengere waarborgen te bieden (art. 1 lid 3 Richtlijn 2016/680).

Kiest de wetgever voor die extra waarborg, dan moet hij haar ook als zodanig vormgeven. Dat betekent een eigen maatstaf voor de achteraftoets, in plaats van een spoedfictie waarvan de A-G terecht vraagt wat de RC dan nog kan toetsen. Die maatstaf kan bijvoorbeeld de rol van de beslagene omvatten, een verschoningsrecht en de noodzaak om de volledige bruto dataset te bewaren. Kiest de wetgever voor de lijn van de Hoge Raad, dan verdient het aanbeveling de bevriezing te normeren als niet-ernstige toegang onder een bevel van de officier van justitie, met wettelijk geregelde afscherming, logging en vernietiging. Zo krijgt de architectuur die nu op een aanwijzing moet steunen een formeel-wettelijke basis.

Een tweede aandachtspunt is de onevenwichtigheid die de A-G signaleert. Bij de zelfstandige bevoegdheid van de opsporingsambtenaar (art. 2.7.38 lid 2) tellen juridische beperkingen zoals doelbinding wél mee bij de risicobeoordeling, bij de bevriezing niet.60 Het arrest van 6 oktober 2026 biedt de gelegenheid die inconsistentie op te heffen, en de beoogde inwerkingtreding in 2029 laat daarvoor ruimte, ook als het antwoord uit Luxemburg nog even op zich laat wachten.

9. De bredere koers van het Nederlandse strafprocesrecht

Voor wie het strafprocesrecht niet dagelijks volgt, is deze beslissing vooral interessant als symptoom. Zij laat vijf bewegingen zien die het vak de komende jaren zullen bepalen.

9.1 Europeanisering via het gegevensbeschermingsrecht

De ingrijpendste wijzigingen in de Nederlandse opsporing van het afgelopen decennium kwamen niet uit Straatsburg en niet uit Den Haag, maar uit Luxemburg, en dan via het gegevensbeschermingsrecht. Het EVRM normeert inbreuken vooral via de eisen van een voorzienbare wettelijke grondslag en effectieve controle, en laat de lidstaten veel ruimte in de vormgeving. Het HvJ EU schrijft, op basis van het Handvest en Richtlijn 2016/680, een procedureel ontwerp voor: voorafgaande toetsing door een onafhankelijke instantie, met een institutioneel criterium dat het OM uitsluit.61 Het strafprocesrecht wordt zo, op het terrein van informatie, een toepassingsgebied van het Unierecht, met het HvJ EU als constitutionele rechter.

9.2 Van dwangmiddel naar gegevensfase

Het Wetboek van 1926 normeert fysieke handelingen: binnentreden, doorzoeken, in beslag nemen. De nieuwe normering hecht zich aan de fasen van de gegevensverwerking: verwerven, bewaren, ontsluiten, kennisnemen, gebruiken. Het arrest van 6 oktober 2026 is daarvan de zuiverste illustratie tot nu toe. Het fysieke beslag is normatief bijna irrelevant geworden; beslissend is de stap van onleesbare bits naar leesbare persoonsgegevens. Die fasering sluit aan bij de pre-Landeck-analyse van de Commissie-Koops. Die onderscheidde al tussen het ‘bevriezen’ van een image en het ‘ontdooien’ ervan voor onderzoek, en achtte voor het bevriezen geen voorafgaande toestemming nodig als technisch-organisatorische voorzieningen onderzoek aan de image uitsluiten.62

9.3 Een nieuwe rolverdeling: toetsen, borgen, controleren

Onder de traditie van de officier van justitie als magistraat waren toetsen en borgen één functie. Prokuratuur en Landeck hebben die functies uit elkaar getrokken. De beslissing van 2026 maakt de nieuwe verdeling zichtbaar. De RC toetst de evenredigheid van de inhoudelijke kennisneming. De officier van justitie borgt de architectuur die die toets betekenis geeft: afscherming, automatisering, verslaglegging. De zittingsrechter controleert achteraf via art. 359a Sv of het stelsel in het concrete geval heeft gewerkt. De officier van justitie verliest dus de toetsende rol, maar krijgt een systeemverantwoordelijkheid terug die in zekere zin zwaarder is.

9.4 Rechtsbescherming door ontwerp

Daarmee verschuift het object van rechtsbescherming van de handeling naar het systeem. Of de beslagene beschermd is, hangt minder af van een individuele beslissing dan van autorisatiestructuren, logbestanden en de werking van forensische software. Dat vraagt van rechters een nieuw soort deskundigheid. Het vraagt ook om een nieuw soort bewijs: niet alleen dat de rechercheur bevoegd was, maar dat het systeem afgeschermd was. Dat de Hoge Raad zijn oordeel moest bouwen op een beschrijving van het OM die hij uitdrukkelijk niet als vaststelling aanmerkt, laat zien hoe ver de procesrechtelijke instrumenten op dit punt nog achterlopen.63

9.5 De Hoge Raad als regelgever, de RC als agendazetter

Ten slotte bevestigt de beslissing een institutionele verschuiving. Sinds 2017 heeft de Hoge Raad de normering van smartphone-onderzoek, bij gebreke van een wettelijke regeling, vrijwel geheel zelf geschreven, in 2025 uitdrukkelijk ‘in afwachting’ van de wetgever.64 Nu suggereert hij zelfs de inhoud van een OM-aanwijzing. De prejudiciële procedure van art. 553 Sv versterkt die rol. Zij stelt de RC, die de praktijk van dag tot dag ziet, in staat systeemvragen te agenderen voordat zij jaren later via cassatie terugkomen. Het voorlopige oordeel maakt van die procedure bovendien een instrument van tijdelijke regelgeving.

In de verhouding tot Luxemburg is de beslissing een vorm van juridische diplomatie. De Hoge Raad stelt niet alleen een vraag, maar presenteert een uitgewerkt eigen antwoord, verankerd in een praktijkbeschrijving en in het evenredigheidsbeginsel. Wie de rechtspraak van het HvJ EU volgt, weet dat zo’n gemotiveerde voorkeur van een hoogste rechter gewicht in de schaal legt. Het Nederlandse strafprocesrecht wordt daarmee niet alleen ontvanger, maar ook mede-auteur van het Europese recht.

10. Kritische bespiegelingen en open vragen

De beslissing is overtuigend in haar kern, maar laat zes vragen open die voor de wetenschap en de praktijk van belang zijn.

1. De vraag aan Luxemburg is smaller dan het voorlopige oordeel. Het voorlopige oordeel dekt het kopiëren én het omzetten van de gegevens in voor mensen leesbare en analyseerbare categorieën, zo nodig met menselijke tussenkomst van specialisten.65 De vraag aan het HvJ EU ziet echter uitsluitend op een ‘voor mensen niet leesbare en niet analyseerbare’ kopie.66 Ook een bevestigend antwoord laat dus de stap open waarin het risico het grootst is: het leesbaar maken door mensen buiten het team. Juist daar differentieerde de A-G door een bevel van de officier van justitie te verlangen. De praktijk doet er goed aan die stap nu al met dat bevel te omkleden.

2. Van ‘het risico’ naar ‘een reëel risico’. Landeck spreekt van het risico van een ernstige inmenging; de Hoge Raad leest een reëel risico. Dat is een methodologische keuze: van een voorzorgsnorm naar een waarschijnlijkheidsnorm. De literatuur is langs dezelfde lijn verdeeld. Een eerste groep ziet de image als onlosmakelijk deel van het onderzoek en verlangt een voorafgaande machtiging; een tweede legt de grens bij toegang die nauwkeurige conclusies over het privéleven mogelijk maakt.67 Zij is verdedigbaar, omdat het HvJ EU zelf in La Quadrature du Net II heeft laten zien dat de ernst van een inmenging gradueel en contextueel wordt bepaald. En in IMI aanvaardt het Hof een verzegeling vóór de toets. Tegenover die aanwijzingen staat het streven naar ‘een hoge mate van bescherming’ en de tekst van punt 104 (‘elke poging’). Mijn verwachting is dat Luxemburg de tweede lezing aanvaardt, maar onder voorwaarden: aantoonbare afscherming, logging en een regime van bewaring en vernietiging. Zeker is dat niet.

3. Een technologie-afhankelijke regel. Het voorlopige oordeel steunt op de premisse dat forensische software niet selectief kan kopiëren.68 Verandert de techniek, dan verandert ook de evenredigheid. Het beginsel van minimale gegevensverwerking (art. 4 lid 1 onder c Richtlijn 2016/680) zou dan kunnen vergen dat selectief wordt verworven. De regel is daarmee geen statische norm maar een momentopname van de stand van de techniek, en verdient periodieke herijking.

4. Bewaring en vernietiging. Wat gebeurt er met de bruto data die buiten de machtiging vallen? En met de image na een onherroepelijke vrijspraak of sepot? Het arrest zwijgt, het concept van de Tweede aanvullingswet regelt alleen de vernietiging na onherroepelijke afwijzing van de vordering. Een afgeschermde maar onbeperkt bewaarde image is geen zegel maar een reservoir. Juist daar ligt het Unierechtelijke zwaartepunt van overweging 33 van de richtlijn.

5. Verschoningsgerechtigden, slachtoffers en derden. De regel geldt ongeacht wiens telefoon het is. Bij een verschoningsgerechtigde is een volledige image van alle vertrouwelijke communicatie een zelfstandig probleem (par. 5.3). Bij slachtoffers is de verhouding omgekeerd. Het OM beroept zich op hun belang bij snelle veiligstelling, maar hun eigen privéleven wordt door een volledige image evenzeer geraakt. Een gedifferentieerde regeling, met een eventuele rol voor toestemming, ligt voor de hand.

6. Wat betekent ‘uitzonderlijk’? Volgens r.o. 6.3.5 kan een machtiging slechts ‘in uitzonderlijke gevallen’ achterwege blijven, namelijk als voorzienbaar is dat de inhoudelijke toegang geen ernstig risico oplevert. In 2025 werd de zelfstandige bevoegdheid van de opsporingsambtenaar tot beperkte waarnemingen, bijvoorbeeld bij identificatie, nog als normale bevoegdheid gepresenteerd.69 Of de Hoge Raad hier bewust aanscherpt, of slechts de verhouding van regel en uitzondering bij het onderzoek van inbeslaggenomen toestellen beschrijft, zal moeten blijken. Mijn lezing is het laatste. Voor de praktijk van de staandehouding en aanhouding is het verschil echter niet gering.

11. Slotsom

Bevriezen is nog geen kennisnemen. Met die gedachte trekt de Hoge Raad de normatieve grens bij het moment waarop een opsporingsambtenaar de beschikking krijgt over leesbare persoonsgegevens, en niet eerder. Het kopiëren van een inbeslaggenomen smartphone vergt voorlopig geen rechterlijke machtiging, mits de architectuur van afscherming, automatisering en verslaglegging staat en de officier van justitie daarvoor instaat. Het spoedeisende geval blijft voorbehouden aan werkelijke noodsituaties. Het laatste woord is aan het HvJ EU.

Dogmatisch is de winst dat drie niveaus uit elkaar worden gehaald die in het debat vaak door elkaar liepen: verwerking (grondslag en doelbinding), inmenging, en ernstige inmenging (voorafgaande toetsing). Institutioneel ontstaat een nieuwe rolverdeling: de RC toetst, de officier van justitie borgt, de zittingsrechter controleert. Wetgevingstechnisch wordt de wetgever gedwongen te kiezen op welke grond hij de bevriezing in het nieuwe wetboek wil laten rusten. Spoed is onder beide lezingen van Landeck een wankele basis.

De beslissing laat ten slotte zien waarheen het Nederlandse strafprocesrecht zich beweegt. Het wordt informationeel: het normeert gegevensfasen in plaats van fysieke handelingen. Het wordt Europees: zijn hoogste maatstaven komen uit het Handvest. Het wordt ex ante ontworpen: rechtsbescherming wordt in systemen ingebouwd in plaats van achteraf gesanctioneerd. En de Hoge Raad schrijft daarbij niet alleen mee aan het eigen recht, maar ook aan het Europese. Of Luxemburg zijn lezing deelt, weten we over enige tijd. Dat de vraag zo scherp is gesteld, is nu al winst.

12. Voor het onderwijs: stappenschema en discussievragen

Het schema hieronder vat het voorlopige oordeel samen als beslisboom, bij een inbeslaggenomen smartphone in een strafrechtelijk onderzoek.

  1. Inbeslagneming voorzien? Vorder de machtiging van de RC dan al vóór de inbeslagneming, met de vermelding dat zo nodig eerst een kopie wordt gemaakt (r.o. 6.1.2-6.1.3).
  2. Kopie maken (bevriezen). Geen machtiging, vooraf noch achteraf – mits (technisch) gewaarborgd is dat geen opsporingsambtenaar inhoudelijk kan kennisnemen. De officier van justitie staat daarvoor in (art. 148 Sv); inrichting en omvang worden in een proces-verbaal vastgelegd (r.o. 6.3.3-6.3.4).
  3. Omzetten in leesbare categorieën. Door software of door specialisten buiten het onderzoeksteam: evenmin een machtiging (r.o. 6.3.3).
  4. Inhoudelijke kennisneming en selectie. Machtiging van de RC, binnen de grenzen waarvan wordt geselecteerd (r.o. 6.3.5). Alleen in uitzonderlijke gevallen, als voorzienbaar is dat de kennisneming geen risico van een ernstige inmenging oplevert, kan zij achterwege blijven.
    • Dringende noodzaak: mondelinge machtiging, binnen drie dagen op schrift.
    • Spoedeisend geval: onmiddellijke bedreiging voor leven, fysieke integriteit, veiligheid of kritieke infrastructuur, en ook een mondelinge machtiging kan niet worden afgewacht: kennisneming zonder voorafgaande machtiging, toetsing op korte termijn (r.o. 6.5.2).
  5. Achteraf. Of de kennisneming in het concrete geval op een machtiging berustte, beoordeelt de zittingsrechter bij een verweer op grond van art. 359a Sv.

De rechterlijke toets valt pas bij de inhoudelijke kennisneming; de A-G zou bij het omzetten een bevel van de officier van justitie verlangen, het concept-wetsvoorstel een toets achteraf al bij het kopiëren (zie de tabel in par. 8.2).

Kernbegrippen

Discussievragen

  1. Is het kopiëren van een smartphone een verwerking, een inmenging of een ernstige inmenging? Wat hangt aan elk van die kwalificaties vast?
  2. Beoordeel het argument uit de inbeslagneming (r.o. 6.3.2). Bewijst het wat de Hoge Raad wil bewijzen?
  3. Welke toets zou een RC zélf zinvol kunnen verrichten vóór het maken van een image? Betrek de rol van de beslagene en de positie van verschoningsgerechtigden (art. 98 Sv).
  4. Waarom is ‘spoed’ een wankele grondslag voor de bevriezingsbevoegdheid van art. 2.7.39 van het concept? Formuleer een alternatieve grondslag en de bijbehorende waarborgen.
  5. Kan een aanwijzing van het OM ‘lidstatelijk recht’ zijn in de zin van Richtlijn 2016/680? Betrek art. 1 Sv en overweging 33 van de richtlijn.
  6. Stel dat het HvJ EU de eerste lezing kiest. Wat betekent dat voor images die tussen 6 oktober 2026 en dat arrest zijn gemaakt? Werk de factoren van art. 359a Sv uit en betrek art. 47 Handvest.
  7. Casus: bij een aangifte van sextortion wordt de telefoon van het slachtoffer in beslag genomen en volledig gekopieerd. Welke waarborgen gelden, en verschillen die van de telefoon van de verdachte?

Bronnen

Geraadpleegd op 10 oktober 2026. Literatuur die alleen via de conclusie van de A-G kon worden geraadpleegd, is in de noten als zodanig aangeduid.


  1. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615 (prejudiciële beslissing ex art. 553 Sv), op vragen van de rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant bij beschikking van 20 februari 2026. Zie Concl. A-G Van Kempen 23 juni 2026, ECLI:NL:PHR:2026:604, en over de ontvankelijkheid van de vragen ECLI:NL:PHR:2026:727. ↩︎

  2. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 2 en 7.1. ↩︎

  3. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 4.2.1. De Hoge Raad benadrukt dat de weergave van de werkwijze berust op de beschrijving van het OM en niet op eigen vaststellingen (r.o. 4.1). ↩︎

  4. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 3.1, waarin de beschikking van de RC is weergegeven. ↩︎

  5. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 3.2. ↩︎

  6. Ontvankelijkheidsbeoordeling A-G Van Kempen 24 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:727, randnr. 4.3 en 4.10-4.13 (art. 554 lid 1 Sv). De A-G zag geen aanleiding derden – het Kenniscentrum Cybercrime en de Landelijke Werkgroep Landeck – tot het maken van opmerkingen uit te nodigen (randnr. 5.1-5.5). ↩︎

  7. Concl. A-G Van Kempen 23 juni 2026, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 11.3-11.5 en 12.4-12.5. ↩︎

  8. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 7.2. ↩︎

  9. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 2 en 8. De beslissing is gewezen door Borgers (voorzitter), Van Strien, Kooijmans, Dalebout en Posthumus. ↩︎

  10. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 7.1; vgl. HvJ EU 6 oktober 2021, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799 (Consorzio Italian Management), en reeds HvJ EG 6 oktober 1982, 283/81, ECLI:EU:C:1982:335 (Cilfit). Anders Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 12.4. ↩︎

  11. HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584, r.o. 2.6-2.8. ↩︎

  12. HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (H.K./Prokuratuur), punt 51-59 (Richtlijn 2002/58/EG). ↩︎

  13. HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, NJ 2022/354, m.nt. J.W. Ouwerkerk, r.o. 6.11.1-6.11.3. ↩︎

  14. HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (CG/Bezirkshauptmannschaft Landeck), punt 72-76. ↩︎

  15. HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830 (CG/Landeck), punt 89-94. ↩︎

  16. HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830 (CG/Landeck), punt 102-105. ↩︎

  17. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116, m.nt. J.M. Reijntjes; zie daarover o.a. J.J. Oerlemans, Computerrecht 2025/90 (annotatie). ↩︎

  18. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.2.2-5.2.4 en 5.2.8, met verwijzing naar HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, r.o. 6.11.1-6.11.2. ↩︎

  19. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.2.5 en 5.2.7. ↩︎

  20. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.1.2, met een beroep op HvJ EU 30 april 2024, C-470/21, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II). ↩︎

  21. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 3.1; Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 11.7; ECLI:NL:PHR:2026:727, randnr. 4.11. ↩︎

  22. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 4.1-4.2.3; vgl. Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 6.13-6.16. ↩︎

  23. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 4.2.2-4.2.3. Als de machtiging alle gegevens omvat, vallen bruto en netto dataset samen. ↩︎

  24. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 4.3.1-4.3.4. ↩︎

  25. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.2.1-6.2.4. ↩︎

  26. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.3.2-6.3.5 en 6.4. ↩︎

  27. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.3.3. ↩︎

  28. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.3.5, slotzin. ↩︎

  29. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.1.2-6.1.3. ↩︎

  30. Art. 3 punt 2 Richtlijn (EU) 2016/680; HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830 (CG/Landeck), punt 71-75. Ook de A-G gaat voor zijn betoog uit van een verwerking, al acht hij er ‘zeker iets voor te zeggen’ dat het enkel kopiëren buiten de richtlijn valt: Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 4.7. ↩︎

  31. Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 4.7, vn. 15, met verwijzing naar EHRM 4 december 2008, nrs. 30562/04 en 30566/04, ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204 (S. en Marper/Verenigd Koninkrijk), par. 73. ↩︎

  32. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.3.3; vgl. r.o. 6.3.2 (‘niet als ernstig kan worden aangemerkt’). ↩︎

  33. Art. 2.1.1 Sv (nieuw) volgens het concept-wetsvoorstel Tweede aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering (internetconsultatie 7 mei-11 september 2026), weergegeven in Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 8.4 en 8.10. ↩︎

  34. Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 8.5 (aantekening). ↩︎

  35. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.3.3. ↩︎

  36. Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 6.15 en 4.16. ↩︎

  37. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 4.1. ↩︎

  38. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 5.1 en 6.3.2. ↩︎

  39. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.3.2, slot. ↩︎

  40. HvJ EU 16 juli 2026, gevoegde zaken C-258/23 tot en met C-260/23, ECLI:EU:C:2026:585 (IMI e.a./Autoridade da Concorrência), punt 114, aangehaald in HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 5.5-5.6. De conclusie van de A-G dateert van vóór dit arrest en bespreekt het niet. ↩︎

  41. Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 10.14 en 11.3-11.5. ↩︎

  42. HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830 (CG/Landeck), punt 104; vgl. HvJ EU 2 maart 2021, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur), punt 51 en 58, en HvJ EU 30 april 2024, ECLI:EU:C:2024:370 (La Quadrature du Net II), punt 127. Zie Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 11.8. ↩︎

  43. Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 8.11 (aantekening) en 11.9. ↩︎

  44. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.5.2. ↩︎

  45. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.2.5; HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, r.o. 6.11.3. ↩︎

  46. Art. 2.7.40 lid 1 Sv (nieuw) volgens het concept-wetsvoorstel Tweede aanvullingswet, weergegeven in Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 8.2 en 8.14. ↩︎

  47. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 3.1; Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 6.13, vn. 32. ↩︎

  48. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.3.4. ↩︎

  49. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.3.4; vgl. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.2.7. ↩︎

  50. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.3.4, met verwijzing naar r.o. 5.4.1. ↩︎

  51. Art. 8 lid 2 en overweging 33 Richtlijn (EU) 2016/680, weergegeven in HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 5.4.1-5.4.2. ↩︎

  52. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.3.4, slot. ↩︎

  53. HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889 (herijking art. 359a Sv). ↩︎

  54. Wet van 25 februari 2026 tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, Stb. 2026, 56. Over de beoogde inwerkingtreding op 1 april 2029: ‘Toegang tot gegevens nieuw genormeerd: codificatie Prokuratuur en Landeck in tweede aanvullingswet’, bijzonderstrafrecht.nl 12 mei 2026. ↩︎

  55. Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 3, p. 351-352 en 574, waarop de RC zich beriep (zie Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, vn. 4). Zie ook K. van Horssen, Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens (Monografieën Nieuw Wetboek van Strafvordering), Den Haag: Boom 2026, p. 106-113. ↩︎

  56. Concept-wetsvoorstel Tweede aanvullingswet nieuw Wetboek van Strafvordering, internetconsultatie 7 mei-11 september 2026, www.internetconsultatie.nl/tweede_aanvullingswet. ↩︎

  57. Art. 2.1.1 en 2.7.38-2.7.41 Sv (nieuw) volgens het concept, weergegeven in Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 8.2-8.15. ↩︎

  58. MvT bij het concept, p. 34-36, weergegeven in Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 8.5 en 8.9. ↩︎

  59. Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 8.11-8.12 en 11.9; HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830 (CG/Landeck), punt 104. ↩︎

  60. Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 8.5 (aantekening, slot) en 8.13. ↩︎

  61. HvJ EU 2 maart 2021, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur), punt 51-59; HvJ EU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:830 (CG/Landeck), punt 102-105; HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.2.4. ↩︎

  62. Commissie modernisering opsporingsonderzoek in het digitale tijdperk, Regulering van opsporingsbevoegdheden in een digitale omgeving, 2018, p. 88-92 en 103, besproken in Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 7.1-7.3 en 8.9. ↩︎

  63. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 4.1. ↩︎

  64. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.2.1. ↩︎

  65. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.3.3 en 6.3.5. ↩︎

  66. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 7.2. ↩︎

  67. Voor een voorafgaande machtiging: C. Taylor Parkins-Ozephius & D. van Toor, ‘Tweefactorauthenticatie. Post-Landeck-normering van het onderzoek aan de smartphone’, NJB 2025/982, p. 1392-1394; M.I. Kazlova, ‘Impact van Landeck op de voorgestelde regeling van onderzoek van gegevens in het nieuwe Wetboek van Strafvordering’, DD 2026/12; J.W. Ouwerkerk & J.H. Crijns, ‘Onderzoek aan smartphones post-Landeck’, in: M.J. Dubelaar e.a. (red.), Redelijk en waarachtig, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 179-195; J.J. Oerlemans, Computerrecht 2025/90 (annotatie); J. Bonnes & O. Divendal, ‘Innovatie in het strafrecht: effectieve aanpak van cybercriminaliteit vergt brede bestrijding en verdient betere regulering’, AA 2024, p. 323. Minder stellig of anders: J.M.W. Lindeman & M.J.J.P. Luchtman, ‘Alle ballen op de rechter-commissaris?’, in: Vooruit verdedigen, Den Haag: Boom 2025, p. 190; H.M.A. van Beek & M.M. Egberts, ‘Landecks normatieve ideaal en de technische realiteit: naar een gefaseerd toetsingskader’, Expertise & Recht 2026/4. Zie het overzicht in Concl. A-G Van Kempen, ECLI:NL:PHR:2026:604, randnr. 8.9, vn. 53, waarnaar HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 6.4 verwijst. Over auteur en strekking van ‘De benodigde machtiging van de rechter-commissaris na HvJ EU Landeck; rechtswaarborg of papieren tijger?’, NTS 2025/2, verschillen de conclusie (vn. 26 en 53) en de ontvankelijkheidsbeoordeling (ECLI:NL:PHR:2026:727, vn. 10). ↩︎

  68. HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615, r.o. 4.2.2 en 6.3.2. ↩︎

  69. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, r.o. 5.2.2. ↩︎

Citeren

D. van Leeuwen, ‘Bevriezen is nog geen kennisnemen’, blog.dirk-van-leeuwen.eu 10 oktober 2026, https://blog.dirk-van-leeuwen.eu/posts/bevriezen-is-nog-geen-kennisnemen/.

BibTeX
@online{vanleeuwen2026bevriezen,
  author       = {van Leeuwen, Dirk},
  title        = {Bevriezen is nog geen kennisnemen},
  subtitle     = {Het digitale beslag na Landeck: HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1615 en de koers van het Nederlandse strafprocesrecht},
  date         = {2026-10-10},
  organization = {blog.dirk-van-leeuwen.eu},
  url          = {https://blog.dirk-van-leeuwen.eu/posts/bevriezen-is-nog-geen-kennisnemen/},
  langid       = {dutch}
}