Het enkele zich voordoen
De valse hoedanigheid bij oplichting (art. 326 Sr), de grens met wanprestatie en de koers van het Nederlandse strafrecht
1. Inleiding
Wie aanbelt en zegt ‘voor de meter’ te komen, neemt een valse hoedanigheid aan. Wie op Marktplaats een telefoon aanbiedt die hij niet heeft, doet dat in beginsel niet. Beide verdachten liegen over zichzelf, en beide willen geld. Toch is de eerste een oplichter in de zin van art. 326 lid 1 Sr en is de tweede, als er verder niets bijkomt, een wanpresterende contractspartij.1
Dat verschil is niet vanzelfsprekend. De regering die het Wetboek van Strafrecht verdedigde, zag het precies omgekeerd. Tegen ‘onwaarheid alleen’ hoefde het strafrecht geen bescherming te bieden, behalve op één punt:
‘Alleen voor het gebruik maken van valsche namen of hoedanigheden is eene uitzondering gerechtvaardigd. Het maatschappelijk verkeer steunt in dit opzigt op getrouwheid aan de waarheid en de eenvoudige leugen te dezen aanzien verkrijgt het karakter van inbreuk op openbare trouw.’2
Bij naam en hoedanigheid was volgens de wetgever van 1886 dus juist de eenvoudige leugen genoeg. De Hoge Raad heeft die opvatting niet overgenomen. Wie zich ‘in strijd met de waarheid voordoet als bonafide’ koper, huurder of verkoper, neemt daarmee nog geen valse hoedanigheid aan. Er moet ‘meer’ zijn.3 In het overzichtsarrest van 20 december 2016 heeft de Hoge Raad dat ‘meer’ omschreven als ‘voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen’.4
Het leerstuk is smal, maar het laat veel zien van wat het Nederlandse strafrecht op dit moment kenmerkt. Ik noem er vijf punten.
- Een Hoge Raad die het fragmentarische karakter van het vermogensstrafrecht bewaakt, en daarbij de grens tussen strafrecht en civiel recht expliciet tot maatstaf maakt.
- Een wetgever die op die terughoudendheid reageert met nieuwe, smallere delicten (art. 326d en 326e Sr) in plaats van met verruiming van het middel.
- Een begrip dat de wetgever inmiddels naar andere delicten exporteert (art. 138ab, 138aa en 311 Sr), zonder dat duidelijk is of het daar hetzelfde betekent.
- Een rechtsvorming die na 2016 vrijwel geheel verloopt via art. 81 RO en via het overnemen van conclusies, en die juist daardoor ruimte laat voor verschuivingen die niemand uitdrukkelijk heeft gewild.
- Een Europees kader dat de nationale keuze niet dicteert, maar haar wel scherp spiegelt: in de eisen van art. 7 EVRM aan de grens tussen bedrog en gewone handel, en in de manier waarop het Unierecht het risico van ‘impersonatie’ civielrechtelijk verdeelt.
Ik zet het leerstuk eerst uiteen: de wet en de wetsgeschiedenis (par. 2), de ontwikkeling tot 2016 (par. 3), het overzichtsarrest (par. 4) en de rechtspraak daarna (par. 5). Daarna volgen de dogmatische plaatsing (par. 6), de dialoog met de wetgever en de export van het begrip (par. 7) en de Europese en rechtsvergelijkende inbedding (par. 8). Paragraaf 9 plaatst het leerstuk in de bredere ontwikkelingen, paragraaf 10 bevat kritische bespiegelingen. Ik sluit af met een slotsom (par. 11) en, voor het onderwijs, een beslisschema en discussievragen (par. 12).
2. Het middel in de wet en in de wetsgeschiedenis
2.1 Een gesloten stelsel van middelen
Art. 326 lid 1 Sr stelt strafbaar wie met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling ‘hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels’ iemand beweegt tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het teniet doen van een inschuld. Het maximum is vier jaar gevangenisstraf. Aan de middelen is sinds 1886 niets veranderd. De wijzigingen betroffen het strafmaximum en de oplichtingsobjecten: gegevens (1993, verruimd in 2010) en diensten (2010).5
De keuze voor een gesloten stelsel van middelen was bewust. De memorie van toelichting wees een algemene strafbaarstelling van bedrog af, omdat ‘de vrees dat men door zoodanige algemeene bepaling van strafbaar bedrog ligt de grenzen overschrijdt, die de strafwetgever zich behoort te stellen, (…) niet hersenschimmig’ is. De wetgever koos de ‘veiliger weg’ van het kenmerken van ‘de verschillende soorten van bedrog die hij strafbaar keurt’.6 Modderman zei het in de Kamer kernachtig: een eenvoudige leugen mag niet voldoende zijn; het recht komt alleen te hulp aan wie ‘misleid worden door leugens gekleed in zoodanig omhulsel dat ook de burger van gewone voorzigtigheid de dupe kan worden’.7
2.2 De uitzondering voor naam en hoedanigheid
Binnen dat gesloten stelsel hebben naam en hoedanigheid een bijzondere plaats. Bij listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels zit de strafwaardigheid in het ‘omhulsel’: in de constructie die de leugen geloofwaardig maakt. Bij naam en hoedanigheid zag de wetgever geen omhulsel nodig. Het Regeeringsantwoord in de inleiding is daarover duidelijk: hier verkrijgt ‘de eenvoudige leugen’ ‘het karakter van inbreuk op openbare trouw’.8
De ratio is begrijpelijk. Wie zegt dat hij de meteropnemer, de politieagent of de notaris is, doet een mededeling die de ander in de regel niet kan en niet hoeft te controleren. Het maatschappelijk verkeer kan alleen functioneren als men op zulke rollen kan afgaan. Zoals A-G Hofstee het samenvatte: zou dat niet zo zijn, ‘dan zou men telkens afzonderlijk een onderzoek moeten instellen en zou het “systeem” niet kunnen functioneren’.9 De bescherming van de valse hoedanigheid is dus van het begin af aan een bescherming van verkeersvertrouwen, niet alleen van het vermogen van het individuele slachtoffer.
Een definitie gaf de wetgever niet.10 De literatuur vulde dat in. Simons sprak van ‘het zich voordoen als bekleed met eene waardigheid of functie, welke men niet bezit of uitoefent, of in het valschelijk optreden als geplaatst in eene rechtsverhouding, waaraan bepaalde rechten en bevoegdheden kunnen worden ontleend’. Bij Van Bemmelen en Van Hattum ging het om een ‘rechtsbetrekking, die iemand beweert te hebben tot een andere persoon of instelling’. Fokkens spreekt in de commentaarliteratuur van ‘vaste, geijkte rollen, waarop men in het betreffende onderdeel van het maatschappelijk verkeer afgaat en waaraan een specifieke rolverwachting is verbonden’.11 Deze definities hebben één ding gemeen. Ze gaan uit van een rol die objectief bestaat en die bepaalde verwachtingen of bevoegdheden meebrengt. De vraag of de verdachte zijn verplichtingen zal nakomen, valt er niet onder.
3. Van rol naar transactierol: de ontwikkeling tot 2016
3.1 De klassieke hoedanigheid: functie, bevoegdheid, lidmaatschap
De oudere rechtspraak bevestigt het beeld van de rol. Zich voordoen als vertegenwoordiger van de Evangelische Stads- en Landzending, als verkoper van door mindervaliden gevlochten tomatenmanden, als rekeninghouder met voldoende saldo: dat zijn valse hoedanigheden.12 In het arrest over de tomatenmanden formuleerde de Hoge Raad de kern die hij in 2012 vrijwel letterlijk zou herhalen: de verdachte ‘zich een hoedanigheid heeft aangematigd om onverdiend vertrouwen te wekken’.13
Recentere voorbeelden passen in hetzelfde patroon. De chauffeur zonder rijbevoegdheid die bij zijn sollicitatie een ingetrokken rijbewijs toont, neemt een valse hoedanigheid aan.14 Dat geldt ook voor de venter die zegt dat de opbrengst van zijn poetsartikelen naar een goed doel gaat, en voor degene die bij een 90-jarige aanbelt ‘voor de meter’ en een eigen bijdrage vraagt. Hij nam de hoedanigheid aan ‘van iemand die namens de leverancier van elektriciteit optrad (…) en uit dien hoofde bevoegd was een daarvoor verschuldigde eigen bijdrage in ontvangst te nemen’.15 In al deze gevallen gaat het om een status die buiten de transactie zelf bestaat en die bij de wederpartij vertrouwen wekt dat zij niet hoeft te verifiëren.
3.2 De transactierol en het verwachtingspatroon
Een tweede lijn begint bij de restaurantgast. In 1998 oordeelde de Hoge Raad dat de ‘Groningse eetpiraat’ ‘op bedrieglijke wijze gebruik heeft gemaakt van het in het maatschappelijk verkeer geldende patroon op grond waarvan enerzijds de restauranthouder aan de bezoeker van zijn restaurant de door deze bestelde maaltijden en consumpties verschaft in de verwachting dat zijn gast bij zijn vertrek daarvoor zal betalen en anderzijds de restaurantbezoeker overeenkomstig die verwachting handelt’.16 Dat is een andere hoedanigheid dan die van de meteropnemer. Ze bestaat niet buiten de transactie. Ze bestaat alleen in de transactie: het is de rol van de normale gast. Wat haar tot hoedanigheid maakt, is dat de branche haar zonder controle aanvaardt. Een borg of voorschot vragen in een restaurant is, zoals De Hullu in zijn noot opmerkte, nu eenmaal ondoenlijk.17
Het theoretische fundament voor deze lijn leverde A-G Van Dorst in een conclusie uit 1998. Van Dorst waarschuwde dat ‘bedrieglijk gebruik van een verwachtingspatroon’ op zichzelf niet onderscheidend is: ‘Dat zou betekenen dat iedere willens en wetens gepleegde wanprestatie als oplichting kan worden aangemerkt.’ Het criterium is volgens Van Dorst wel bruikbaar als het wordt gekoppeld aan ‘de algemeen aanvaarde gebruiken in de betreffende branche of sector van het maatschappelijk leven waarmee betrokkenen zich tegen bedrog plegen te wapenen’. Strafrechtelijke bescherming is eerder op haar plaats als de prestatie onomkeerbaar is en civiel verhaal onevenredig, en als de verdachte de gebruikelijke beveiliging frustreert, ‘bijv. door een valse naam op te geven, een vals legitimatiebewijs te tonen, een borg op te geven die geen verhaal biedt’.18 A-G Wortel voegde daar het ‘bovengemiddeld vertrouwen’ aan toe dat de zich als professionele marktpartij presenterende verdachte wekt.19 A-G Vegter vatte de lijn in 2012 samen:
‘Van belang is dus het verwachtingspatroon dat wordt gevormd door de algemeen aanvaarde gebruiken in de betreffende branche of sector in het maatschappelijk verkeer. Is er op een bedrieglijke wijze gebruik gemaakt van dit verwachtingspatroon, dan is er sprake van het aannemen van een valse hoedanigheid. Is het in een bepaalde branche of sector gebruikelijk dat men zich wapent tegen bedrog, bijvoorbeeld door het vragen van legitimatie, dan zal men bijvoorbeeld de klant niet op zijn blauwe ogen mogen geloven (…).’20
Die samenvatting is sindsdien door verschillende A-G’s vrijwel letterlijk overgenomen.
3.3 De ‘bonafide’ wederpartij: een hoedanigheid die iedereen heeft
De derde lijn is de lastigste. Zij betreft de verdachte die zich voordoet als bonafide koper, huurder of verkoper. Hier ontbreekt zowel de externe status als een branche die controle achterwege laat. Wat ‘vals’ is, is alleen het voornemen om na te komen.
De Hoge Raad heeft hier van meet af aan een grens getrokken. Wie zich voordoet als koper van onroerend goed die bereid en in staat is te betalen, neemt geen valse hoedanigheid aan.21 Hetzelfde geldt voor de bonafide koper van tuinmeubelen en voor de huurder van een laserapparaat die het gehuurde ‘na ommekomst van de overeengekomen huurperiode’ zou teruggeven.22 In 2010 voegde de Hoge Raad eraan toe dat dit zelfs geldt ‘indien de huurder al voorzag niet aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen’.23 Van Veen had het in 1991 al gezegd: het zijn van koper of huurder levert geen specifieke hoedanigheid op, ‘want die hoedanigheid heeft in onze samenleving iedereen’.24
Wat de ‘bonafide’ presentatie wel tot valse hoedanigheid kan maken, laat de rechtspraak tussen 2014 en 2016 zien.
- Onbruikbare contactgegevens. Een Marktplaatsverkoper die niet levert en afwijkende namen en wisselende e-mailadressen gebruikt, neemt een valse hoedanigheid aan. Die bestond ‘niet louter (…) uit het zich in strijd met de waarheid voordoen als bona fide verkoper, maar tevens uit het als verkoper verstrekken van onbruikbare contactgegevens aan zijn wederpartij’.25 Opvallend is dat het hof had vastgesteld dat die gegevens niet dienden om tot betaling te bewegen, maar om verhaal te frustreren. A-G Vegter maakte er een treffende zin over: ‘dommigheid houdt in dit geval op waar gebruik wordt gemaakt van leugens.’26
- Een tevoren bedachte werkwijze. De verdachte die bij vier fietsenwinkels een proefrit maakt en een polstasje met lege enveloppen als onderpand achterlaat, doet zich voor ‘als een belangstellende die voornemens is de hem voor een proefrit ter hand gestelde fiets terug te brengen’, ‘volgens een tevoren bedachte werkwijze’.27 Bij een motorfiets en een waardeloze autosleutel als onderpand gold hetzelfde.28
- Het lenen van andermans reputatie. Wie nepwebwinkels opzet met namen die doen denken aan bestaande, betrouwbare winkels (prolecto.nl naast prolectro.nl), neemt een valse hoedanigheid aan.29
Daartegenover staat het arrest van 9 december 2014. Een webwinkelier onder eigen naam, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, nam vooruitbetalingen aan terwijl hij wist dat hij niet kon leveren. Het oordeel van het hof dat dit geen valse hoedanigheid van ‘bonafide internetondernemer’ opleverde, gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.30 A-G Knigge heeft er terecht op gewezen dat dit arrest vooral een gevolg is van de beperkte toetsing van een vrijspraak in cassatie. Uit het arrest kan ‘niet de conclusie worden getrokken dat het in leven roepen van een façade nimmer de vereiste valse hoedanigheid kan opleveren’.31 Maar de wetgever las het arrest anders, zoals we zullen zien (par. 7.1).
4. Het overzichtsarrest van 20 december 2016
4.1 Opzet en vooropstellingen
Op 20 december 2016 wees de Hoge Raad twee arresten met identieke ‘vooropstellingen’ over de oplichtingsmiddelen. Ze beogen ‘enkele uit eerdere rechtspraak voortvloeiende min of meer algemene aandachtspunten en beperkingen weer te geven en met elkaar in verband te brengen’.32 Voor de valse hoedanigheid zijn vijf overwegingen van belang.
Eerste overweging: de functie van de middelen (r.o. 2.2.1). Met de specifieke middelen is beoogd ‘het begrip “oplichting” nader vorm en inhoud te geven’. Daarmee wordt bewerkstelligd dat ‘niet iedere vorm van bedrog – bijvoorbeeld bestaande uit niet meer dan het doen van een onware mededeling – en niet iedere toerekenbare tekortkoming in civielrechtelijke zin binnen het bereik van het strafrecht wordt gebracht’. Dat is een opmerkelijke formulering. De grens met het civiele recht wordt hier niet als bijkomend argument gebruikt, maar als doel van de delictsomschrijving.
Tweede overweging: het gemeenschappelijk kenmerk (r.o. 2.3.1). Alle middelen delen ‘dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken’.
Derde overweging: de kern van naam en hoedanigheid (r.o. 2.3.4). Het gaat erom ‘dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de “persoon” van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid’. Daarna volgt de zin die het leerstuk sindsdien draagt:
‘De in de rechtspraak wel gebruikte formulering dat een verdachte zich als een “bonafide” deelnemer aan het rechtsverkeer heeft gepresenteerd, is met betrekking tot het aannemen van een valse hoedanigheid slechts relevant als zo een presentatie als bonafide (potentiële) wederpartij berust op voldoende specifieke gedragingen die in de desbetreffende context erop zijn gericht bij het beoogde slachtoffer een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen teneinde daarvan misbruik te maken.’
Vierde overweging: overlap en het beschermde belang (r.o. 2.3.5-2.3.6). De middelen zijn ‘niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden’. De rechter ‘behoeft (…) niet te kiezen’. Beschermd wordt niet alleen het vertrouwen van het slachtoffer, ‘maar ook meer algemeen het vertrouwen dat het publiek ten behoeve van het maatschappelijk en economisch verkeer tot op zekere hoogte mag stellen in de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen’. Dat komt tot uitdrukking in omstandigheden die ‘voor de beoordeling van het gewicht van het gehanteerde oplichtingsmiddel relevant’ zijn: ‘het misbruik maken van een in het maatschappelijk verkeer geldend verwachtingspatroon, het verstrekken van onbruikbare contactgegevens of het veelvuldig herhalen van identieke gedragingen in relatie tot telkens weer andere (beoogde) slachtoffers’.
Vijfde overweging: bewegen en de rol van de wetgever (r.o. 2.4-2.5). ‘Bewegen’ vereist dat het slachtoffer ‘mede onder invloed van’ de onjuiste voorstelling handelde. Oplichting ontbreekt als het slachtoffer de onjuiste voorstelling ‘had moeten doorzien’. De begrenzing van het delict wordt ‘mede gerechtvaardigd’ door de mogelijkheid van de wetgever ‘om bepaalde ongewenste vormen van bedrog alsnog binnen het bereik van het strafrecht te brengen’, met een verwijzing naar de wetsvoorstellen over acquisitiefraude en online handelsfraude.
4.2 Wat het arrest wel en niet zegt
Het arrest is in de eerste plaats een beperkend arrest. Het bevestigt dat de enkele bonafide-presentatie geen valse hoedanigheid is. Het stelt het gewicht van het middel centraal en maakt de grens met de wanprestatie expliciet. Het is daarnaast een ordenend arrest. De drie factoren uit r.o. 2.3.6 brengen de rechtspraak van 2012 tot 2016 terug tot een overzichtelijk lijstje.
Twee dingen doet het arrest níet. Het definieert ‘hoedanigheid’ niet, en het maakt geen onderscheid tussen de drie lijnen uit paragraaf 3. De meteropnemer en de proefrijder worden in één adem genoemd als voorbeelden van een valse hoedanigheid. Daarmee blijft onduidelijk of de ‘voldoende specifieke gedragingen’ alleen nodig zijn bij de bonafide-presentatie, of ook bij een statusrol. De tekst wijst op het eerste: de eis staat in de zin over de ‘bonafide’ deelnemer. Maar de praktijk heeft dat niet altijd zo gelezen (par. 5.3).
Verder verschuift het arrest het verwachtingspatroon van maatstaf naar gewichtsfactor. Bij Vegter bepaalde het verwachtingspatroon of er sprake was van een valse hoedanigheid. In r.o. 2.3.6 is het één van drie omstandigheden die ‘het gewicht’ van het middel bepalen. Dat is dogmatisch zuiverder, omdat het verwachtingspatroon nu de algemene eis van r.o. 2.3.1 (een ‘voldoende ernstige’ vorm van bedrog) invult en niet langer een eigen definitie van het middel geeft.
Het zusterarrest laat zien waar de grens ligt tussen ‘persoon’ en ‘product’. Daar bestond de bewezenverklaarde ‘valse hoedanigheid’ uit de mededeling dat een investering ‘gegarandeerd goed’ was. A-G Machielse kon daarin geen hoedanigheid ontdekken: ‘Als men onder een valse hoedanigheid ook al zou verstaan het in strijd met de waarheid kenbaar maken dat een rendement van 10% op jaarbasis zou worden uitbetaald (…), zou het onderscheid met een samenweefsel van verdichtsels verdampen.’ De Hoge Raad casseerde op het ‘bewegen’ en liet de kwalificatievraag open.33 De conclusie is niettemin in lijn met r.o. 2.3.4: een leugen over het product is geen leugen over de persoon.34
4.3 Ontvangst in de literatuur
Ten Voorde las in r.o. 2.2.1 ‘een ultimum-remediumgedachte’: het is niet aan het strafrecht ‘om zich met zaken bezig te houden waarvoor het civiele recht reeds een regeling biedt, of die behoren tot het domein van fatsoensnormen’. Het zich voordoen als bonafide koper of verkoper ‘levert slechts een schending van een fatsoensnorm op’. Over het slachtoffer merkte Ten Voorde op dat de Hoge Raad ‘niet uit[gaat] van de meest vertrouwende maar ook niet van de meest wantrouwende persoon’.35 Buisman plaatste het arrest in een breder, rechtsvergelijkend onderzoek naar de strafbaarstelling van contractbreuk naar Nederlands, Engels, Duits en Unierecht. Het vertrekpunt daarvan is dat de enkele opzettelijke niet-nakoming van een koopovereenkomst naar Nederlands recht niet onder art. 326 of 321 Sr valt.36
5. Na 2016: de praktijk van de valse hoedanigheid
5.1 Geen nieuwe maatstaf, wel veel toepassing
Sinds het overzichtsarrest heeft de Hoge Raad geen nieuwe algemene overweging over de valse hoedanigheid gegeven. Wie de ruim tachtig zaken tussen januari 2017 en oktober 2026 doorloopt waarin het middel in cassatie een rol speelde, ziet dat de ontwikkeling via drie kanalen verloopt. Er zijn enkele cassaties wegens ontoereikende motivering. Er zijn veel afdoeningen met art. 81 RO, waarbij de conclusie van de A-G het enige inhoudelijke oordeel is. En de Hoge Raad neemt steeds vaker uitdrukkelijk de redenen uit een conclusie over.37 De rechtsvorming is daarmee voor een belangrijk deel naar het Parket verschoven. Ik kom daarop terug (par. 9.1).
5.2 Waar de Hoge Raad ingrijpt: de onuitgewerkte hoedanigheid
De Hoge Raad casseert alleen als de bewezenverklaarde valse hoedanigheid geen feitelijke inhoud heeft. Drie voorbeelden.
- Een Marktplaatsverkoper die alleen ‘valselijk (…) toegezegd’ had te zullen leveren, nam geen valse hoedanigheid aan. Ook niet omdat hij aliassen gebruikte, nu die niet als middel bewezen waren en in de redenering van het hof geen rol speelden.38
- De eigenaar van een klusbedrijf die kerstpakketten ophaalt, zijn echte inschrijving bij de Kamer van Koophandel toont en daarna niet betaalt, neemt geen valse hoedanigheid aan. A-G Machielse: ‘Op geen enkele wijze kan uit de gebezigde bewijsmiddelen blijken dat verdachte zich met een valse hoedanigheid heeft gepresenteerd. Integendeel (…).’39
- Wie een datingcontact geld laat lenen voor een ‘ziek paard’, vertelt hooguit een verhaal. Aan de valse hoedanigheid was in de bewezenverklaring ‘geen feitelijke uitwerking gegeven’ (A-G Keulen). Het hof had dit niet zonder meer uit de bewijsvoering kunnen afleiden.40
Het gemeenschappelijke kenmerk is helder. De ‘hoedanigheid’ was in deze zaken niets anders dan het voornemen om na te komen, en dat is precies wat r.o. 2.3.4 uitsluit.
5.3 De statusrol: één onwaarheid volstaat
Waar de verdachte een concrete status voorwendt, is de rechtspraak ruimhartig. Het duidelijkste voorbeeld is het arrest over een zelfstandig reisverkoopster die na het einde van haar samenwerking met een grote touroperator op boekingsbevestigingen de logo’s van de ANVR en het garantiefonds SGR bleef gebruiken. De aangever boekte mede omdat ‘ze was aangesloten bij de SGR’. Het oordeel dat zij daarmee een valse hoedanigheid aannam, ‘getuigt (…) niet van een onjuiste rechtsopvatting’.41 A-G Hofstee had anders geconcludeerd. De conclusie zag in het logogebruik ‘een enkele omstandigheid’ en wees erop dat ‘het vooropgezet plan- en patroonmatig bewust misleiden (bedriegen) (…) heel wat anders [is] dan een eenmalig in gebreke blijven, onwaarachtig handelen of zich voordoen als betrouwbare contractspartij’.42
Ik denk dat de Hoge Raad hier gelijk had, en dat het arrest meer zegt dan het lijkt. De conclusie las de eis van ‘voldoende specifieke gedragingen’ als een algemene eis voor iedere valse hoedanigheid. De Hoge Raad las haar als een eis voor de bonafide-presentatie. Wie zich ten onrechte voordoet als aangesloten bij een garantiefonds, wendt een objectieve status voor waarop de wederpartij zonder onderzoek mag afgaan. Daar volstaat, zoals in 1881 bedoeld, de eenvoudige leugen.
Dezelfde lijn zien we bij andere statusrollen.
- De verkoper die zich voordoet als ‘rechtmatige eigenaar’ van een snorfiets.43
- De vertegenwoordiger van een vaste klant die cv-ketels komt ophalen. Daar ‘staat of valt’ de valse hoedanigheid ‘niet bij het wel of niet opgeven van een valse naam’.44
- De nep-arts met witte jas en esculaap.45
- De ophaler van bankpassen die zich voordoet als medewerker van de bank.46
In de laatste zaak ontstond de hoedanigheid uit de context die de spoofende bellers hadden geschapen. A-G Frielink achtte zij ‘zonder meer’ af te leiden uit de mededeling dat de verdachte de passen ‘kwam ophalen’. Bij de babbeltruc met de nep-politieagent verschuift het debat geheel naar de vraag of het slachtoffer het had moeten doorzien.47
5.4 De bonafide-presentatie: wat telt als ‘meer’
Bij de bonafide-presentatie blijven de drie factoren uit r.o. 2.3.6 het ‘meer’ leveren, met de ‘tevoren bedachte werkwijze’ uit de proefritarresten als vierde. De Hoge Raad gebruikt die formule inmiddels zelf. Uit de feiten kon het hof afleiden dat ‘is gehandeld volgens een tevoren bedachte – bedrieglijke – werkwijze, die erop was gericht de kopers te bewegen tot afgifte en op het bemoeilijken van de traceerbaarheid van de verdachte’.48 Bij een bestelling van gebakjes onder een valse naam, een vals adres en een niet in gebruik zijnd telefoonnummer was het oordeel ‘bonafide klant’ eveneens houdbaar.49 De startende bloemist die zijn personeel en leveranciers ‘aan het lijntje’ hield met halve waarheden en gestorneerde incasso’s, nam de hoedanigheid aan van bonafide werkgever en klant.50
Twee ontwikkelingen springen eruit.
De eerste is dat ook iemand met een echte beroepshoedanigheid een valse hoedanigheid kan aannemen. Een dakdekker die over jaren bij veelal oudere klanten aanbetalingen vroeg en het werk niet uitvoerde, was echt dakdekker. ‘Vals’ was zijn presentatie als bonafide dakdekker, gedragen door het verwachtingspatroon in de bouw (‘het is in de bouwsector niet ongebruikelijk dat voorschotten worden gevraagd’) en door herhaling.51 A-G Sinnige merkte op dat het begrip hoedanigheid ‘een ruime en niet vast omlijnde betekenis’ heeft.52 Bij een notarieel opgericht ‘juridisch advieskantoor’ dat nooit als zodanig zou functioneren, zat de valsheid in de functionele werkelijkheid achter een formeel bestaande onderneming.53
De tweede ontwikkeling is dat de eetpiraat overeind blijft. In 2022 nam de Hoge Raad zonder discussie aan dat de verdachte zich voordeed ‘als een betalende klant’ en de medewerkers van een café-restaurant bewoog tot het ‘verlenen van een dienst’.54 Daar is geen bijkomende leugen nodig: het verwachtingspatroon zelf is het ‘meer’.
5.5 Naam en hoedanigheid
De verhouding tussen naam en hoedanigheid is na 2016 duidelijker geworden. De rol is beslissend, de naam ondersteunt hem. Een valse naam kan het bewijs van de valse hoedanigheid dragen zonder zelf als middel bewezen te zijn. Omgekeerd blijft de hoedanigheid staan als het hof van de valse naam vrijspreekt of die naam in cassatie wordt weggestreept.55 Bij de klassieke ‘identiteitsfraude’ verschuift het naamaspect bovendien naar een eigen delict. WhatsApp-fraude, waarbij de dader zich voordoet als kind of vriendin van het slachtoffer, komt in de cassatierechtspraak vooral voor als misbruik van identificerende persoonsgegevens (art. 231b Sr) en als witwassen, niet als oplichting.56
5.6 De grens opgerekt: de integere bestuurder
De meest recente ontwikkeling is ook de meest verstrekkende. Op 6 oktober 2026 liet de Hoge Raad met toepassing van art. 81 RO veroordelingen in stand in een zaak die al eerder in cassatie was geweest.57 De directeur-bestuurder van een woningbouwvereniging verwierf vastgoedprojecten via een tussenschakel die de prijs opdreef. Hij ontving ‘douceurtjes’ van de ontwikkelaars en verzweeg dat, en de mogelijkheid van rechtstreekse aankoop, voor de raad van commissarissen. Bewezenverklaard was dat hij zich tegenover die raad ‘valselijk voorgedaan [heeft] als betrouwbare en integere directeur/bestuurder’.
A-G Van Kampen aanvaardde die kwalificatie. De conclusie erkent dat het plegen van een strafbaar feit tegen de eigen rechtspersoon ‘niet zonder meer’ meebrengt dat de bestuurder ‘ook de “valse hoedanigheid” van een betrouwbaar en integer bestuurder heeft aangenomen’. Ook ‘de enkele presentatie als bonafide/integere persoon of functionaris’ volstaat niet: ‘er moet meer zijn’. Dat ‘meer’ vond de A-G in de statutaire informatieplicht en het optreden in de vergaderingen:
‘Door een functie met dergelijke formeel vastgelegde verplichtingen te aanvaarden, wekt degene die de functie vervult de verwachting zich aan die verplichtingen te conformeren. De verdachte deed het in de praktijk ook voorkomen alsof hij deze verplichtingen (en daarmee de verwachtingen) waar maakte (…).’58
Dat de valse hoedanigheid ‘mede kan bestaan uit het verzwijgen van relevante informatie’, vond volgens de A-G ‘geen steun in het recht’, voor zover het middel het tegendeel betoogde.59 In de eerste ronde had A-G Paridaens al vastgesteld dat verzwijgen geen listige kunstgreep is, omdat listige kunstgrepen ‘een handeling’ vereisen. De valse hoedanigheid moest het oordeel daarom dragen.60
Hier gebeurt iets nieuws. De valse hoedanigheid wordt gebruikt als opvangmiddel voor nalaten, en de hoedanigheid zelf is niet langer een rol die de verdachte ten onrechte claimt, maar een normatieve kwaliteit van een rol die hij werkelijk vervult. Dat staat in spanning met het ‘politiemol’-arrest van 2021. Een politieambtenaar die met zijn eigen inloggegevens informatie opzocht en aan criminelen doorgaf, nam volgens het hof een valse hoedanigheid aan in de zin van art. 138ab Sr: hij presenteerde zich als ‘betrouwbare en onkreukbare ambtenaar’. De Hoge Raad oordeelde dat dit niet zonder meer uit de bewijsvoering volgde:
‘De door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte met het misbruik van zijn autorisatie het door zijn collega’s en de maatschappij in hem gestelde vertrouwen heeft geschonden, volstaat daartoe niet. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat niet blijkt dat de verdachte al een valse hoedanigheid had aangenomen toen hem de autorisatie werd verstrekt.’61
In de woningbouwzaak blijkt evenmin dat de bestuurder bij zijn aanstelling al een valse hoedanigheid aannam. De conclusie verwijst niet naar het arrest van 2021. Ik kom op deze spanning terug (par. 6.4 en 10).
6. Dogmatische plaatsing
6.1 Drie soorten hoedanigheid
De rechtspraak gebruikt één begrip voor drie verschillende dingen. Voor het begrip van het leerstuk, en zeker voor het onderwijs, helpt het die uit elkaar te halen.
| Soort | Wat is ‘vals’? | Voorbeelden | Is ‘meer’ nodig? |
|---|---|---|---|
| Statushoedanigheid | een rol, functie, bevoegdheid of lidmaatschap die buiten de transactie bestaat | meteropnemer, politieagent, arts, bankmedewerker, vertegenwoordiger, eigenaar, lid van een garantiefonds | nee: de eenvoudige leugen volstaat |
| Transactierol in een vertrouwenspatroon | de rol van normale wederpartij in een branche waar controle ontbreekt of ondoenlijk is | restaurant- of hotelgast, proefrijder, ophaler bij een vaste leverancier | het verwachtingspatroon zelf is het ‘meer’; bij twijfel een bedachte werkwijze |
| Gezindheidshoedanigheid | alleen het voornemen om na te komen (‘bonafide’) | koper, huurder, verkoper, lener, ondernemer, ‘integere’ bestuurder | ja: voldoende specifieke gedragingen (r.o. 2.3.4) |
De eerste categorie is de hoedanigheid zoals de wetgever die bedoelde. De tweede is een rechterlijke uitbreiding die goed te verdedigen is. Zij beschermt het vertrouwen dat een branche moet geven om te kunnen functioneren, en waarvan misbruik daardoor bijzonder laakbaar is. De derde categorie is de bron van alle moeilijkheden. Strikt genomen is de ‘bonafide’ koper geen hoedanigheid. Hij is gewoon koper, en dat is hij ook echt. Het enige wat onwaar is, is zijn intentie. Een valse hoedanigheid die alleen bestaat uit een valse intentie valt samen met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Daarmee zou elk opzettelijk niet-nakomen oplichting zijn. Dat is de reden voor het ‘meer’.
Maar dat ‘meer’ is in de derde categorie geen kenmerk van de hoedanigheid. Het zijn bedrieglijke gedragingen: valse namen, onbruikbare contactgegevens, een waardeloos onderpand, een nagebootste website. Daarmee wordt de gezindheidshoedanigheid in feite een samengesteld middel. Het staat dicht bij de listige kunstgreep (feitelijke handelingen) en het samenweefsel van verdichtsels (een stelsel van leugens). Dat is geen verwijt aan de rechtspraak. R.o. 2.3.5 staat overlap uitdrukkelijk toe, en voor de strafwaardigheid maakt het niet uit welk etiket wordt gekozen. Maar het verklaart waarom het middel zo moeilijk te definiëren is: in de derde categorie is de ‘valse hoedanigheid’ een verzamelnaam geworden.
6.2 Normatief of feitelijk?
A-G Aben merkte in 2017 op dat ‘niet alleen het bestanddeel “bewegen tot”, maar ook de wettelijke oplichtingsmiddelen normatieve eisen stellen’.62 Dat is juist, en het verklaart een merkwaardige dubbeling. De omzichtigheid van het slachtoffer speelt twee keer een rol. Eén keer bij het middel: is het in deze branche gebruikelijk dat men zich wapent tegen bedrog? Eén keer bij het bewegen: had het slachtoffer de onjuiste voorstelling moeten doorzien? Het verwachtingspatroon en de doorzien-maatstaf zijn communicerende vaten. Waar het patroon vertrouwen rechtvaardigt, kan het slachtoffer moeilijk worden tegengeworpen dat het niet heeft doorzien. Waar het patroon wantrouwen vraagt, is er in de regel ook geen valse hoedanigheid.
A-G Keulen heeft ‘aarzelingen bij dit onderdeel van de rechtspraak (…), in het bijzonder wat de relevantie van de persoonlijkheid van het slachtoffer betreft’. Keulen wijst op het risico van secundaire victimisatie en betoogt dat de wetgever de waakzaamheid van de burger tot uitdrukking heeft willen brengen ‘door de formulering van de oplichtingsmiddelen, niet door een restrictieve interpretatie van het bestanddeel “bewegen”’.63 Dat argument heeft gewicht. Het sluit aan bij Modderman (‘de burger van gewone voorzigtigheid’, par. 2.1) en het pleit ervoor de normatieve toets bij het middel te leggen en het bewegen feitelijk te houden. In de praktijk leidt de doorzien-maatstaf na 2016 overigens nergens tot cassatie in een zaak over een valse hoedanigheid. Zwaardere pretenties maken de eisen aan het slachtoffer lichter. Bij een nep-arts die een levensbedreigende diagnose stelt, wordt geen kritische houding verlangd.64
6.3 Causaliteit: moet de valsheid bewegen?
Een derde dogmatisch punt is de causaliteit. In het Marktplaatsarrest van 2014 dienden de valse contactgegevens volgens het hof niet om tot afgifte te bewegen, maar om verhaal te frustreren. Toch maakten zij de hoedanigheid ‘vals’.65 A-G Harteveld aanvaardde in 2016 dat de valsheid van naam of hoedanigheid geen condicio sine qua non hoeft te zijn: ‘Of een verkoper zich nu Jan of Piet noemt, is immers voor een potentiële koper (meestal) niet doorslaggevend’.66
Dat is verdedigbaar als men de bijkomende omstandigheden ziet als gewichtsfactoren. Ze bepalen dan of de bonafide-presentatie als geheel een ‘voldoende ernstige’ vorm van bedrog is (r.o. 2.3.1), niet of elk element afzonderlijk heeft bewogen. Maar het laat zien dat de rechtspraak de gezindheidshoedanigheid eerder normatief (hoe verwerpelijk is het gedrag?) dan misleidend (wat heeft het slachtoffer geloofd?) invult. Voor een delict dat om misleiding draait, is dat een verschuiving die aandacht verdient.
6.4 Het moment van de hoedanigheid
Het politiemol-arrest bevat een criterium dat in de discussie weinig aandacht heeft gekregen: het moment waarop de hoedanigheid wordt aangenomen. Wie een echte functie heeft en die later misbruikt, neemt daarmee niet zonder meer een valse hoedanigheid aan. Beslissend is of de verdachte zich bij het verwerven van de bevoegdheid of het vertrouwen anders voordeed dan hij was. Dat criterium is helder. Het sluit aan bij het onderscheid tussen oplichting en verduistering. Wie het goed al onder zich heeft, verduistert; wie het door misleiding verkrijgt, licht op. Het sluit ook aan bij het onderscheid tussen oplichting en misdrijven van trouwbreuk, zoals de verduistering in dienstbetrekking (art. 322 Sr).
De woningbouwzaak laat zich met dat criterium verzoenen, maar alleen op één manier. Men moet aannemen dat de bestuurder bij elk afzonderlijk project, in de vergadering waarin de raad van commissarissen instemde, opnieuw een voorstelling over zichzelf gaf die de raad tot ‘afgifte’ bewoog. De conclusie wijst in die richting met haar nadruk op het actieve optreden in de vergaderingen en het opzetten van de constructie.67 Maar dan is de valse voorstelling niet zozeer een hoedanigheid als wel een samenweefsel van verzwegen en verdraaide informatie. En de reden om haar toch ‘hoedanigheid’ te noemen, is juist dat verzwijgen geen kunstgreep is. Dat is een begrijpelijke uitweg. Het is ook een uitweg die de grenzen van het middel verlegt zonder dat de Hoge Raad zich daarover heeft uitgesproken.
6.5 Het beschermde belang: de terugkeer van de ‘openbare trouw’
Ten slotte iets over het rechtsgoed. R.o. 2.3.6 noemt naast het vermogen van het slachtoffer ‘het vertrouwen dat het publiek ten behoeve van het maatschappelijk en economisch verkeer tot op zekere hoogte mag stellen in de oprechtheid waarmee anderen aan dit verkeer deelnemen’. Dat is in wezen de ‘openbare trouw’ uit het Regeeringsantwoord van 1881. Het verschil is de richting waarin het argument wordt gebruikt. In 1881 rechtvaardigde de openbare trouw dat bij naam en hoedanigheid de eenvoudige leugen volstond. In 2016 dient ze ertoe het gewicht van het middel te bepalen, en daarmee ook om gevallen buiten het delict te houden die dat publieke vertrouwen niet raken. Dat is een elegante herinterpretatie. Zij maakt de valse hoedanigheid tot een delict dat op twee belangen rust, en dat verklaart de herhalingsfactor. Wie telkens andere slachtoffers op dezelfde wijze misleidt, tast meer aan dan het vermogen van één wederpartij: hij ondermijnt het vertrouwen waarop een markt als Marktplaats draait.
7. De dialoog met de wetgever en de export van het begrip
7.1 Lacunes gevuld met eigen delicten
De Hoge Raad noemde in 2016 de wetgever als de instantie die ‘ongewenste vormen van bedrog alsnog binnen het bereik van het strafrecht’ kan brengen. De wetgever had dat toen al twee keer gedaan, en deed het daarna opnieuw.
- Flessentrekkerij (art. 326a Sr, 1928) stelt de kopende wederpartij strafbaar die er een beroep of gewoonte van maakt goederen te kopen zonder volledige betaling.68 Dat is precies de ‘bonafide koper’, maar dan beperkt tot het beroeps- of gewoontematige.
- Acquisitiefraude (art. 326d Sr, 2016) is ontstaan omdat het ‘maar zeer de vraag’ was of de rechter de presentatie als bonafide ondernemer als valse hoedanigheid zou aanvaarden. Bij een valse hoedanigheid ‘moet vooral gedacht worden aan het doen voorkomen dat men een bepaald beroep of een bepaalde functie uitoefent’.69
- Online handelsfraude (art. 326e Sr, 2019) is het spiegelbeeld van de flessentrekkerij. Strafbaar is wie een beroep of gewoonte maakt van het via een geautomatiseerd werk verkopen ‘met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling (…) te verzekeren’. De memorie van toelichting is expliciet. De vervolging op grond van art. 326 Sr bleek ‘tot nu toe beperkt succesvol’. Het arrest van 9 december 2014 ‘onderstreept de noodzaak van wetswijziging’.70 In de nota naar aanleiding van het verslag bevestigde de regering de lijn van de Hoge Raad: het enkele aanbieden en niet leveren ‘is onvoldoende voor het aannemen van een valse hoedanigheid’.71
Dit is een patroon dat ook bij het witwassen zichtbaar is.72 De Hoge Raad beperkt een ruim bestanddeel. De wetgever reageert niet door de rechter te corrigeren, maar door een nieuw, smaller delict naast het bestaande te zetten. Bij de valse hoedanigheid heeft dat een gunstig effect. Het gesloten stelsel van art. 326 Sr blijft intact, en de vervolging van moedwillige wanprestatie is gebonden aan een duidelijke drempel: beroep of gewoonte. Het nadeel is dat titel XXV een lappendeken wordt. De evaluatie van de Wet computercriminaliteit III laat bovendien zien dat de praktische betekenis van art. 326e Sr beperkt is gebleven. In ruim vijf jaar stroomden 279 zaken in en volgden 91 rechterlijke uitspraken, met ‘nauwelijks’ grootschalige online handelsfraude. Politie en OM ervaren art. 326 Sr intussen als ingewikkeld bij bestanddelen ‘zoals “een valse naam of van een valse hoedanigheid”’.73
7.2 Een exportbegrip
De valse hoedanigheid is inmiddels ook buiten art. 326 Sr een wettelijk begrip.
- Computervredebreuk (art. 138ab lid 1 Sr onder d). Van binnendringen is ‘in ieder geval’ sprake als de toegang wordt verworven ‘door het aannemen van een valse hoedanigheid’. Het middel staat er sinds 1993. Volgens de memorie van toelichting werd het opgenomen ‘conform artikel 326 Sr’, en ‘degene die een magneetpas of een toegangscode van een ander zonder diens toestemming gebruikt, hult zich in de valse hoedanigheid van de bevoegde gebruiker’.74
- Diefstal (art. 311 lid 1 Sr onder 5°). Sinds 1 januari 2020 is diefstal gekwalificeerd als de dader zich de toegang verschaft ‘door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, of door listige kunstgrepen, of door een samenweefsel van verdichtsels’. De bepaling komt uit een amendement dat de babbeltruc wilde treffen. Het sluit ‘woordelijk’ aan bij art. 326 Sr. Het ‘valse kostuum’ verdween, ‘omdat het valse kostuum besloten ligt in het toegevoegde «valse naam of hoedanigheid»’. De toelichting neemt de definitie uit r.o. 2.3.4 van het overzichtsarrest letterlijk over.75
- Wederrechtelijk verblijf op een haventerrein (art. 138aa lid 2 Sr, 2022). Hier staan ‘een vals kostuum’ en ‘een valse hoedanigheid’ juist naast elkaar. De memorie van toelichting noemt als voorbeeld het ‘onbevoegd gebruik (…) van bedrijfskleding’.76
Twee vragen dringen zich op. De eerste is of het begrip overal hetzelfde betekent. De wetgever van 2019 ging daarvan uit, en voor de kern (een onjuiste voorstelling over de ‘persoon’) ligt dat ook voor de hand. Maar de gezindheidshoedanigheid past niet in art. 311 en art. 138ab. Wie zich toegang tot een woning verschaft, beweegt niemand tot afgifte. De vraag of hij ‘bonafide’ is, speelt geen rol: hij is binnen of niet. De Hoge Raad heeft voor art. 311 Sr nog geen uitleg gegeven.77 Wel volgt uit het politiemol-arrest dat de functionaris die een echte autorisatie misbruikt, zich bij art. 138ab Sr geen valse hoedanigheid aanmeet. Mijns inziens moet bij de export alleen de statushoedanigheid en de transactierol meegaan, niet de gezindheidshoedanigheid. Daar is ook een praktisch argument voor. Bij een babbeltruc gaat het altijd om een rol: loodgieter, meteropnemer, buurman die even wil bellen.
De tweede vraag is wetgevingstechnisch. Als het valse kostuum in 2019 in de valse hoedanigheid ‘besloten ligt’, waarom staan ze in 2022 in art. 138aa naast elkaar? Het antwoord ligt waarschijnlijk in het verschil tussen de bewakingssituatie (de bewaker reageert op kleding) en de babbeltruc (het slachtoffer reageert op een verhaal). Maar de wetgever heeft dat niet uitgelegd. Een uniforme terminologie in titel XXV en in de bepalingen die ernaar verwijzen, zou de uitleg dienen.
7.3 Gegevens en phishing
Een kleine maar veelzeggende vondst in de wetsgeschiedenis: de wetgever van 2008 ging er zonder meer van uit dat de verdachte die zich ‘uitgevende voor een medewerker van een bank’ de inlogcodes van klanten ontfutselt, een oplichtingsmiddel gebruikt. Het knelpunt was alleen het object: die gegevens hadden geen ‘geldswaarde in het handelsverkeer’.78 Bij de omzetting van de richtlijn over fraude met niet-contante betaalmiddelen achtte de regering phishing ‘strafbaar op grond van artikel 326 Sr’, zonder het middel te benoemen.79 Voor de bankhelpdeskfraude, de grootste fraudevorm van dit moment, heeft de valse hoedanigheid dus geen probleem. Het is de klassieke statushoedanigheid.
8. Europese en rechtsvergelijkende inbedding
8.1 Art. 7 EVRM: een open middel dat de rechter invult
De valse hoedanigheid is een bestanddeel dat de wetgever niet heeft gedefinieerd en dat de rechter in anderhalve eeuw heeft ingevuld. Art. 7 EVRM staat dat toe. Een strafbaar feit is voldoende duidelijk omschreven als de burger ‘from the wording of the relevant provision and, if need be, with the assistance of the courts’ interpretation of it’ kan weten welk gedrag strafbaar is.80 Art. 7 verbiedt niet ‘the gradual clarification of the rules of criminal liability through judicial interpretation from case to case, provided that the resultant development is consistent with the essence of the offence and could reasonably be foreseen’.81 Het Hof erkent dat ‘general categorisations as opposed to exhaustive lists’ een normale wetgevingstechniek is en dat het de taak van de rechter is ‘to dissipate such interpretational doubts as remain’. Het voegt daar wel aan toe dat een onvoorzienbare rechterlijke uitleg van de bestanddelen zelf tot schending kan leiden.82 Grijze zones aan de randen van een categorie zijn toelaatbaar als de bepaling ‘dans la grande majorité des cas’ voldoende duidelijk is. Van professionals mag bovendien extra voorzichtigheid worden verwacht.83
De Hoge Raad gebruikt dezelfde redenering. Bij open normen geldt dat ‘een zekere vaagheid in de delictsomschrijving onvermijdelijk’ is, terwijl van ‘professionele marktdeelnemers’ mag worden verlangd ‘dat deze zich terdege laten informeren’.84 Recent volgde hij een techniek die ook het overzichtsarrest kenmerkt. Hij gaf eerst een eigen, beperkende uitleg van een open bestanddeel en oordeelde vervolgens dat de bepaling, ‘mede gelet op’ die uitleg, voldoende bepaald is.85 Het overzichtsarrest kan zo worden gelezen als een legaliteitsarrest: het brengt de voorzienbaarheid terug die de casuïstiek had aangetast.
8.2 Navalnyye: de grens tussen bedrog en gewone handel
De meest relevante Straatsburgse uitspraak voor dit leerstuk is Navalnyye/Rusland uit 2017. De klagers waren veroordeeld wegens ‘commercial fraud’. Ze hadden vervoersdiensten geleverd, het werk deels uitbesteed en de marge behouden. De Russische rechter construeerde een plicht om klanten op goedkopere alternatieven te wijzen. Die plicht was volgens het EHRM echter ‘not based on the terms of the agreements, or on legal provisions governing confidence, trust and the duty of care in commercial transactions between companies’. De rechter was uitgegaan van ‘an extrapolation of the presumption of trust’. Daardoor waren ‘the boundaries between the criminal offence imputed to the applicants and regular commercial activity (…) indiscernible’. Het fraudedelict was ‘extensively and unforeseeably construed’, in strijd met art. 7.86
Het is een extreme zaak, met een politieke context. Maar de maatstaf is algemeen, en hij laat zich direct vertalen naar de valse hoedanigheid. Een fraudedelict dat vertrouwen beschermt, moet dat vertrouwen verankeren in iets anders dan in het enkele feit dat partijen een overeenkomst sloten. Het moet criteria bieden om bedrog te onderscheiden van ‘inherently lawful conduct’. De Nederlandse rechtspraak doet dat. R.o. 2.2.1 maakt de grens met de toerekenbare tekortkoming tot doel van het delict. De bonafide-lijn sluit het enkele niet-nakomen uit. Het verwachtingspatroon wordt aan concrete branchegebruiken gekoppeld. Navalnyye bevestigt dat die terughoudendheid niet alleen beleid is, maar ook een rechtsstatelijke eis. Ook Liivik/Estland (geen fraudezaak, maar misbruik van ambt) is in dit verband instructief. Een uitleg die ‘any breach of law a criminal offence’ zou maken, met criteria als ‘the general sense of justice’, voldoet niet.87
Toegepast op de integere bestuurder (par. 5.6) levert Navalnyye een interessante uitkomst op. Anders dan in de Russische zaak was de vertrouwensplicht daar wél verankerd, namelijk in de statuten en in de wettelijke verhouding tussen bestuur en raad van commissarissen. Juist daarop baseerde A-G Van Kampen het oordeel. Het Straatsburgse criterium is dus vervuld. Wat Navalnyye niet beantwoordt, is welk delict die trouwbreuk het best uitdrukt. Dat is een vraag van nationaal recht.
8.3 Het Unierecht: legaliteit, de gemiddelde consument en impersonatiefraude
Het Unierecht verplicht niet tot een bepaalde vormgeving van oplichting. Het legaliteitsbeginsel van art. 49 Handvest heeft volgens het HvJ EU ‘dezelfde inhoud en reikwijdte’ als art. 7 EVRM, met dezelfde formule over de rechterlijke uitleg.88 Richtlijn 2019/713 verplicht tot strafbaarstelling van ‘fraude met betrekking tot informatiesystemen’. Het misleiden van een mens is daar geen bestanddeel.89 Voor de valse hoedanigheid is het Unierecht daarom vooral langs twee indirecte wegen van belang.
De eerste is de maatstaf voor het slachtoffer. Het consumentenrecht werkt met de ‘gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument’. Die maatstaf schuift op naar ‘het gemiddelde lid’ van een groep die ‘bijzonder vatbaar’ is, onder meer wegens ‘goedgelovigheid’, als de praktijk zich op die groep richt.90 Dat is een genormeerde maatstaf met een ingebouwde correctie voor kwetsbaarheid. Ten Voordes typering van de Hoge Raad (‘niet (…) de meest vertrouwende maar ook niet (…) de meest wantrouwende persoon’) ligt er dicht bij. De Hoge Raad noemt de persoonlijkheid van het slachtoffer in r.o. 2.4 ook als relevante omstandigheid. Wat ontbreekt, is de uitdrukkelijke koppeling aan de doelgroep van de dader. In het consumentenrecht is die beslissend.
De tweede weg is de civielrechtelijke risicoverdeling. Onder de tweede betaaldienstenrichtlijn draagt de betaler het verlies van een niet-toegestane transactie alleen bij fraude, opzet of ‘grove nalatigheid’. Dat is ‘meer dan louter nalatigheid’ en vraagt ‘een aanzienlijke mate van onvoorzichtigheid’.91 Het Kifid oordeelde in april 2026 dat bij bankhelpdeskfraude ‘van grove nalatigheid niet snel sprake’ is, en kwam daarmee terug van een strengere uitspraak uit 2025.92 Het voorstel voor een betalingsdienstenverordening gaat verder. Als een consument is gemanipuleerd door iemand ‘pretending to be an employee of the consumer’s payment service provider’, moet de bank volledig terugbetalen.93 Over dat voorstel is eind 2025 politiek akkoord bereikt. Op dit moment (oktober 2026) is het nog niet vastgesteld. Over de toepassing van de richtlijn op phishing ligt bij het HvJ EU een zaak waarin A-G Rantos in maart 2026 heeft geconcludeerd. Een arrest heb ik niet aangetroffen.94
De parallel is treffend. De valse hoedanigheid van de bankmedewerker is in het strafrecht het klassieke oplichtingsmiddel. In het Unierecht wordt zij de grond voor een risicoverschuiving naar de bank. Het vertrouwen dat de dader misbruikt, is dan niet langer een zwakte van het slachtoffer, maar een systeemrisico dat de partij met de beste mogelijkheden tot beveiliging draagt. Dat sluit aan bij r.o. 2.3.6 (vertrouwen van ‘het publiek’). Het zet ook vraagtekens bij een strafrechtelijke doorzien-toets die het slachtoffer verwijt wat het civiele recht het niet verwijt.
8.4 Rechtsvergelijking: Frankrijk, België, Duitsland
Het Nederlandse oplichtingsmiddel stamt uit de Franse ‘escroquerie’. Het huidige art. 313-1 Code pénal noemt naast ‘l’usage d’un faux nom ou d’une fausse qualité’ uitdrukkelijk ‘l’abus d’une qualité vraie’: het misbruik van een ware hoedanigheid.95 Dat is precies de categorie waarmee de Nederlandse rechtspraak worstelt bij de echte dakdekker en de echte bestuurder. Frankrijk benoemt haar. Nederland rekt het woord ‘vals’ op tot ze erin past. België heeft in zijn nieuwe Strafwetboek de ‘valse namen of valse hoedanigheden’ behouden (art. 479). Het heeft wel het vereiste van afgifte losgelaten.96 Duitsland kent geen gesloten middelen. Daar is iedere ‘Täuschung über Tatsachen’ die een vermogensschade veroorzaakt ‘Betrug’ (§ 263 StGB). De grens met de wanprestatie wordt daar via de schade en de opzet getrokken.97
De vergelijking laat zien dat de Nederlandse keuze voor gesloten middelen niet ouderwets is. Zij wordt gedeeld door de rechtsorde waaruit zij stamt en door een buurland dat zijn strafwetboek net heeft vernieuwd. Maar zij laat ook zien dat het Nederlandse recht geen eigen woord heeft voor het misbruik van een ware hoedanigheid. Het gevolg is dat het zich bedient van het woord ‘vals’ voor gevallen waarin niets aan de hoedanigheid vals is.
9. Plaatsing in de bredere ontwikkelingen
9.1 Rechtsvorming via het Parket
De valse hoedanigheid laat in het klein zien hoe de rechtsvorming in strafzaken is veranderd. Het overzichtsarrest van 2016 was een expliciete, prospectieve rechtsvormende uitspraak, in een reeks overzichtsarresten uit dezelfde periode. Daarna heeft de Hoge Raad over het middel geen algemene overweging meer gegeven. De verdere ontwikkeling liep via conclusies, via art. 81 RO en via het overnemen van conclusies. Dat heeft voordelen. De conclusies zijn rijk, de A-G’s spreken elkaar soms tegen, en de praktijk heeft een levendig ‘tweede circuit’ van gezaghebbende uitleg. Maar het heeft één groot nadeel. Wanneer een conclusie een stap zet zoals in de woningbouwzaak, is niet duidelijk of de Hoge Raad die stap onderschrijft. Een afdoening met art. 81 RO betekent alleen dat de klacht niet slaagt en dat de zaak geen vragen opwerpt die ‘van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht’.98 Precies dat laatste is bij de integere bestuurder wél aan de orde.
9.2 Het fragmentarische karakter onder druk
Het vermogensstrafrecht is fragmentarisch. Niet ieder bedrog, niet iedere trouwbreuk, niet iedere wanprestatie is strafbaar. De Hoge Raad verdedigt dat beginsel in r.o. 2.2.1 en 2.5 nadrukkelijk. Tegelijk staat het onder druk van drie kanten. Online handel en digitale fraude maken massaschade mogelijk door gedrag dat per geval nauwelijks van wanprestatie te onderscheiden is. Het slachtofferperspectief maakt het moeilijk uit te leggen waarom de één wel en de ander niet als slachtoffer van oplichting geldt. En de ruimere functie van het strafrecht als instrument van ‘vertrouwensbescherming’ (r.o. 2.3.6) nodigt uit tot steeds verdere normativering van bestanddelen. De valse hoedanigheid is een van de plaatsen waar die druk zichtbaar wordt. Het begrip blijkt rekbaar genoeg om haar op te vangen.
9.3 Normativering van bestanddelen
Dat laatste past in een bredere tendens. Feitelijk geformuleerde bestanddelen krijgen een normatieve invulling, met ‘vertrouwen’ en ‘verwachting’ als sleutelbegrippen. Zo is het in het witwasrecht (‘een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen gericht karakter’), bij valsheid in geschrift (de bewijsbestemming naar ‘maatschappelijke opvattingen’) en bij de oplichting (het verwachtingspatroon, de ‘voldoende ernstige’ vorm van bedrog). Dat is op zichzelf geen bezwaar. Normatieve begrippen maken het mogelijk het strafrecht toe te snijden op wat werkelijk strafwaardig is. Maar zij vragen om duidelijke criteria, en die moeten in gemotiveerde arresten worden gegeven. Navalnyye herinnert eraan dat dit geen kwestie van stijl is.
9.4 Strafrecht en civiel recht als communicerende vaten
Ten slotte laat het leerstuk zien hoe sterk strafrecht en civiel recht op elkaar zijn betrokken. De grens van de valse hoedanigheid wordt bepaald door wat het civiele recht biedt. Waar civiel verhaal ondoenlijk is (restaurant, hotel, onomkeerbare dienst), is het strafrecht eerder aan de beurt. Waar de contractspartij zich kan wapenen, minder snel. Het Unierecht verschuift het risico van impersonatiefraude naar de bank. Daarmee verandert ook de achtergrond waartegen de strafrechter het gedrag van het slachtoffer beoordeelt. Een samenhangende benadering zou die ontwikkelingen in samenhang moeten bezien in plaats van elk in een eigen domein.
10. Kritische bespiegelingen
Het leerstuk is in de kern overtuigend. De Hoge Raad heeft de valse hoedanigheid beschermd tegen een uitholling die van ieder opzettelijk niet-nakomen oplichting zou maken. De wetgever heeft die keuze gerespecteerd en de echte lacunes met smalle delicten gevuld. De praktijk kan ermee werken. Toch zijn er vijf punten waarop het beter kan. Ik bespreek ze in oplopende orde van principieel gewicht.
1. Laat het woord ‘bonafide’ los in de tenlastelegging. De formule ‘zich voorgedaan als bonafide verkoper’ is in tenlasteleggingen een gewoonte geworden. Zij zegt niets over wat de verdachte deed. De cassaties na 2016 betreffen alle bewezenverklaringen waarin de ‘hoedanigheid’ feitelijk niet was uitgewerkt (par. 5.2). Het OM zou er goed aan doen de valse hoedanigheid in de tenlastelegging altijd feitelijk te omschrijven: welke rol, en door welke gedragingen. Waar het om een gezindheidshoedanigheid gaat, ligt het vaak meer voor de hand de gedragingen als listige kunstgrepen of samenweefsel ten laste te leggen. Dat dient de rechtszekerheid en maakt de bewijsmotivering eenvoudiger.
2. Erken de statushoedanigheid als eigen categorie. De rechtspraak behandelt de statushoedanigheid en de gezindheidshoedanigheid nog steeds onder dezelfde formule. Het arrest over het reisbureau laat zien dat de Hoge Raad in feite al onderscheidt: bij een objectieve status volstaat één onwaarheid. Dat is de lijn van 1881, en het is de juiste. Een korte, uitdrukkelijke overweging in die zin, liefst in een gemotiveerd arrest, zou veel verwarring wegnemen. Ook in de conclusies wordt de eis van ‘voldoende specifieke gedragingen’ nu soms als algemene eis gelezen.
3. Benoem het misbruik van een ware hoedanigheid voor wat het is. De echte dakdekker, de echte bestuurder, de echte politieambtenaar: in al deze gevallen gaat het om iemand die een ware rol misbruikt. De rechtspraak behandelt hen ongelijk. De politieambtenaar neemt geen valse hoedanigheid aan, de bestuurder wel. Het verschil is te verklaren uit het actieve optreden van de bestuurder in de vergaderingen. Maar het staat niet in een arrest, en de conclusie van 2026 gaat niet in op het arrest van 2021. Ik zou willen voorstellen het tijdstip-criterium uit het politiemol-arrest tot algemene maatstaf te maken. Van een valse hoedanigheid is bij een ware rol alleen sprake als de verdachte zich bij of voor de betreffende transactie actief als iets anders presenteerde dan hij was. Het enkele schenden van de plichten die bij die rol horen, valt erbuiten. Voor de enkele trouwbreuk zijn andere delicten beschikbaar, zoals verduistering en verduistering in dienstbetrekking, en bij een bestuurder daarnaast de civielrechtelijke aansprakelijkheid. Mocht dat tot onaanvaardbare lacunes leiden, dan ligt het op de weg van de wetgever om te overwegen of het Franse ‘abus d’une qualité vraie’ navolging verdient. Het ligt niet op de weg van de rechter om het woord ‘vals’ op te rekken.
4. Leg de omzichtigheid op één plaats, en maak haar gevoelig voor kwetsbaarheid. De dubbele rol van de omzichtigheid, bij het middel en bij het bewegen, maakt de beoordeling ondoorzichtig. Ik sluit mij aan bij Keulen. De normatieve toets hoort bij het middel. Is het in deze context een ‘voldoende ernstige’ vorm van bedrog, gelet op wat men in die branche mag verwachten? Bij het bewegen gaat het om de feitelijke vraag of het slachtoffer erdoor is misleid. De doorzien-uitzondering kan dan beperkt blijven tot evidente gevallen. Bij de maatstaf voor het middel zou de rechter kunnen aansluiten bij het consumentenrecht: wat mocht het gemiddelde lid van de doelgroep van de dader verwachten? Wie zich doelbewust op ouderen richt, kan niet aanvoeren dat een gemiddelde dertiger het had doorzien. De rechtspraak gaat al die kant op (de meteropnemer, de nep-arts). Een uitdrukkelijke overweging zou haar consistenter maken, en de risicoverdeling in het Unierecht bij impersonatiefraude laat zien dat de tijd daarvoor rijp is.
5. De rechtsvorming hoort in gemotiveerde arresten. Het laatste punt is het meest principiële. Het overzichtsarrest van 2016 was een voorbeeld van een Hoge Raad die zijn rechtsvormende taak serieus nam. Het bracht orde, voorzienbaarheid en een helder beginsel: het strafrecht is niet voor iedere wanprestatie. Sindsdien is het middel in conclusies steeds verder opgerekt. Een bestuurder die zijn plichten schendt, ‘matigt zich een valse hoedanigheid aan’. Een eetpiraat, een dakdekker, een advieskantoor: het begrip kent volgens een A-G ‘een ruime en niet vast omlijnde betekenis’. Ik begrijp de behoefte van de praktijk aan een flexibel middel, en ik begrijp ook waarom de Hoge Raad zijn gemotiveerde arresten spaarzaam inzet. Maar ‘niet vast omlijnd’ is precies wat r.o. 2.3.4 wilde voorkomen, en wat art. 7 EVRM tot grens stelt. De woningbouwzaak was de gelegenheid om te zeggen of de valse hoedanigheid ook het verzwijgen door een echte functionaris omvat. Dat die gelegenheid onbenut bleef, is jammer. Er zal een volgende komen.
11. Slotsom
De valse hoedanigheid begon als de uitzondering in het gesloten stelsel van oplichtingsmiddelen. Bij naam en hoedanigheid volstond volgens de wetgever van 1886 de eenvoudige leugen, omdat het maatschappelijk verkeer op die punten op ‘getrouwheid aan de waarheid’ steunt. De rechtspraak heeft het begrip in drie richtingen uitgebreid: van de status naar de transactierol in een vertrouwenspatroon, en van daar naar de ‘bonafide’ wederpartij. Bij die laatste stap heeft de Hoge Raad de oorspronkelijke logica omgekeerd. Waar alleen de intentie vals is, volstaat de leugen niet en zijn ‘voldoende specifieke gedragingen’ nodig. Het overzichtsarrest van 2016 bracht die lijn tot een helder stelsel, gedragen door het beginsel dat niet iedere toerekenbare tekortkoming strafbaar is.
De wetgever respecteerde die keuze. Hij liet het middel ongemoeid en voegde smalle delicten toe voor de beroeps- of gewoontematige wanprestatie. Tegelijk exporteerde hij het begrip naar diefstal, computervredebreuk en het binnendringen van haventerreinen, zonder te zeggen of het daar hetzelfde betekent. Na 2016 verliep de ontwikkeling vooral via conclusies en art. 81 RO. De statushoedanigheid is daarbij ruimhartig aanvaard, ook bij een eenmalige leugen. De gezindheidshoedanigheid blijft aan ‘meer’ gebonden. Aan de randen is het begrip opgerekt tot het misbruik van ware hoedanigheden en tot verzwijgen door een functionaris.
Europees bezien staat de Nederlandse aanpak stevig. Art. 7 EVRM laat ruimte voor een middel dat de rechter invult, mits de grens met gewone handel duidelijk blijft. Navalnyye laat zien dat dit een rechtsstatelijke eis is. Het Unierecht verdeelt het risico van impersonatiefraude civielrechtelijk, en daarmee verandert ook de achtergrond van de strafrechtelijke doorzien-toets. Frankrijk en België behouden de gesloten middelen, en Frankrijk heeft een eigen woord voor het misbruik van een ware hoedanigheid.
Het leerstuk laat zien waarheen het Nederlandse strafrecht zich beweegt. Er is een Hoge Raad die het fragmentarische karakter van het strafrecht verdedigt, en een wetgever die de lacunes met smalle delicten vult. Er is een groeiende normativering van bestanddelen rond ‘vertrouwen’, en een rechtsvorming die naar het Parket is verschoven. In dat krachtenveld verdient het streven naar een begrip dat zegt wat het bedoelt meer gewicht. Het enkele zich voordoen is geen oplichting. Wie zich voordoet als iets wat hij niet is, wel. Daartussen ligt het misbruik van wat men werkelijk is, en voor dat geval heeft het Nederlandse recht nog geen goed woord gevonden.
12. Voor het onderwijs: beslisschema en discussievragen
Het schema hieronder vat het leerstuk samen. Het gaat uit van een tenlastelegging van oplichting (art. 326 lid 1 Sr) waarin de valse hoedanigheid als middel is opgenomen.
- Welke ‘hoedanigheid’ is bewezenverklaard? Benoem de rol concreet. Is dat niet mogelijk en staat er alleen ‘bonafide (ver)koper/huurder/lener’, ga dan naar stap 4.
- Statushoedanigheid? Gaat het om een functie, bevoegdheid, lidmaatschap of rechtsverhouding die buiten de transactie bestaat (medewerker, vertegenwoordiger, eigenaar, arts, politie, lid van een garantiefonds)? Dan volstaat in beginsel de onware mededeling daarover. Ga door naar stap 5.
- Transactierol in een vertrouwenspatroon? Gaat het om de rol van normale wederpartij in een branche die zonder controle of zekerheid presteert (restaurant, hotel, proefrit, ophalen bij een vaste leverancier)? Stel het verwachtingspatroon vast. Is het misbruikt, dan is er een valse hoedanigheid. Ga door naar stap 5.
- Gezindheidshoedanigheid (‘bonafide’)? Dan is ‘meer’ nodig: voldoende specifieke gedragingen die in de context zijn gericht op misleiding. Denk aan valse namen of onbruikbare contactgegevens, een tevoren bedachte werkwijze, een waardeloos onderpand, het nabootsen van een betrouwbare partij of herhaling tegenover steeds andere slachtoffers. Ontbreekt dat, dan is er geen valse hoedanigheid. Overweeg andere middelen, art. 326a of 326e Sr (bij beroep of gewoonte), of het civiele recht.
- Ware rol misbruikt? Had de verdachte de rol werkelijk (echte beroepsbeoefenaar, functionaris)? Dan alleen een valse hoedanigheid als hij zich bij of voor de transactie actief anders voordeed dan hij was. Het enkele schenden van de plichten van de rol volstaat niet (HR 30 november 2021). Let op: de conclusie in de woningbouwzaak (2026) gaat verder.
- Gaat het om de persoon of om het product? Een leugen over het product, het rendement of de kwaliteit is geen hoedanigheid (vgl. HR 20 december 2016, r.o. 2.3.4; concl. Machielse).
- Bewegen. Is het slachtoffer mede onder invloed van de onjuiste voorstelling tot de handeling overgegaan? Had het de voorstelling moeten doorzien, gelet op de omstandigheden en zijn persoonlijkheid (leeftijd, verstandelijke vermogens)?
| Gedraging | Soort | Valse hoedanigheid? |
|---|---|---|
| Aanbellen ‘voor de meter’ en een eigen bijdrage vragen | status | ja (HR 2012) |
| Ten onrechte het logo van een garantiefonds voeren | status | ja (HR 2017) |
| Cv-ketels ophalen ‘namens’ een vaste klant | status | ja (HR 2024) |
| Eten bestellen zonder te willen betalen | transactierol | ja (HR 1998, 2022) |
| Proefrit met waardeloos onderpand, volgens plan | transactierol | ja (HR 2015) |
| Vooruitbetaling vragen en niet leveren, onder eigen naam | gezindheid | nee (HR 2014, 2017) |
| Idem, met valse namen en onbruikbare contactgegevens | gezindheid + ‘meer’ | ja (HR 2014, 2016) |
| Kerstpakketten halen op echte KvK-inschrijving, niet betalen | ware rol | nee (HR 2017) |
| Echte dakdekker, jarenlang aanbetalingen zonder werk | ware rol + patroon | ja (HR 2019, 2025, art. 81 RO) |
| Politieambtenaar die eigen autorisatie misbruikt (art. 138ab) | ware rol | nee (HR 2021) |
| Bestuurder die verzwijgt tegenover de raad van commissarissen | ware rol | ja (HR 2026, art. 81 RO; concl.) |
Kernbegrippen
- Valse hoedanigheid: een onjuiste voorstelling die het handelen van de verdachte bij de ander in het leven roept over zijn ‘persoon’, wat betreft zijn hoedanigheid, met het doel daarvan misbruik te maken (HR 20 december 2016, r.o. 2.3.4).
- Statushoedanigheid: een rol, functie, bevoegdheid of rechtsverhouding die buiten de transactie bestaat en waarop de wederpartij zonder onderzoek mag afgaan.
- Verwachtingspatroon: de in een branche of sector algemeen aanvaarde gang van zaken, waarbij de ene partij presteert in het vertrouwen dat de ander de gebruikelijke tegenprestatie levert. Sinds 2016 een gewichtsfactor (r.o. 2.3.6).
- Bonafide-presentatie: het zich voordoen als wederpartij die bereid en in staat is na te komen. Op zichzelf geen valse hoedanigheid. Wel als zij berust op voldoende specifieke gedragingen.
- Tevoren bedachte werkwijze: een planmatige aanpak, vaak met herhaling, die erop gericht is de wederpartij te misleiden en de traceerbaarheid van de verdachte te bemoeilijken.
- Abus d’une qualité vraie: de Franse figuur van misbruik van een ware hoedanigheid (art. 313-1 Code pénal). Het Nederlandse recht kent haar niet als zodanig.
Discussievragen
- Is de lijn van de Hoge Raad over de ‘bonafide’ wederpartij in overeenstemming met de wetsgeschiedenis van 1881? Is dat een bezwaar?
- Formuleer het verschil tussen een statushoedanigheid en een gezindheidshoedanigheid. Pas het toe op: (a) de nep-loodgieter; (b) de webwinkel onder eigen naam die niet levert; (c) de verkoper die zich voordoet als rechtmatige eigenaar van een gestolen scooter; (d) de datingfraudeur die geld leent voor een ‘ziek paard’.
- Vergelijk HR 30 november 2021 (politiemol) met de conclusie in de woningbouwzaak van 2026. Zijn de uitkomsten te verzoenen? Welk criterium stelt u voor?
- Moet ‘valse hoedanigheid’ in art. 311 lid 1 onder 5° Sr hetzelfde betekenen als in art. 326 Sr? Betrek de toelichting op het amendement-Groothuizen en het verschil tussen ‘toegang verschaffen’ en ‘bewegen tot afgifte’.
- Zou Nederland, naar Frans voorbeeld, het ‘misbruik van een ware hoedanigheid’ als oplichtingsmiddel moeten opnemen? Of verdient het Duitse model zonder gesloten middelen de voorkeur?
- Bespreek de doorzien-maatstaf in het licht van de ‘gemiddelde consument’ uit het Unierecht en de risicoverdeling bij bankhelpdeskfraude (PSD2, Kifid 2026, het voorstel voor een betalingsdienstenverordening). Moet de strafrechter het slachtoffer iets verwijten wat het civiele recht het niet verwijt?
- Lees Navalnyye/Rusland (2017), §§ 63-68. Welke waarborgen biedt het Nederlandse recht tegen een uitleg van oplichting die ‘regular commercial activity’ treft? Zijn ze voldoende?
Bronnen
Geraadpleegd op 11 oktober 2026. De tekst van uitspraken en conclusies is ontleend aan data.rechtspraak.nl, die van Europese handelingen en arresten aan EUR-Lex en HUDOC, die van Kamerstukken aan officielebekendmakingen.nl. Arresten van vóór 2000 en enkele latere uitspraken (onder meer NJ 1940/341, 1962/65, 1991/750, 1998/497, 1999/182 en HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:1879) staan niet met tekst in de open data. Wat ik daarover schrijf, berust op de weergave in de aangehaalde conclusies. Dat geldt ook voor de wetsgeschiedenis van 1881-1886 (Smidt) en voor de oudere handboeken. De annotaties bij de besproken arresten heb ik, met uitzondering van die van Ten Voorde, niet zelf ingezien.
Literatuur
- S. Buisman, ‘Oplichting: een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen’, DD 2017/75, p. 781-803.
- S. Buisman, ‘Criminalising the violation of civil law standards: The Dutch criminalisation debate on breaches of sale contracts’, in: P. van Berlo e.a. (red.), Over de grenzen van de discipline (Meijers-reeks 281), Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 49-69.
- S.S. Buisman, Contract, Tort & Crime. Criminalisation of breaches of sales contracts under Dutch and EU law (diss. Tilburg), Tilburg: Studio 2019.
- S. Buisman, ‘De strafbaarstelling van fraude onder Nederlands, Engels en Duits recht’, AA 2020/9, p. 845-849.
- S. Buisman, ‘De strafrechtelijke aanpak van fraude op online handelsplatforms’, TBS&H 2020, afl. 2, p. 69-74.
- J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024.
- J.W. Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, art. 326 Sr (bijgewerkt tot 1 februari 2010).
- P.J. van den Hout, Oplichting: knooppunt van valsheid en bedrog (diss. Tilburg), Arnhem: Gouda Quint 1993.
- C. Mak, bespreking van Buisman 2019, DD 2022/9, p. 149-155.
- A. van Uden, N. Nijhuis & M. van der Meer, Evaluatie Wet Computercriminaliteit III (WODC Cahier 2025-10), Den Haag: WODC 2026.
- A.J. van der Velden & D.N. de Jonge, in: T&C Strafrecht, commentaar op art. 326 Sr.
- J.M. ten Voorde, ‘Oplichting nader beschouwd’, AA 2017/6, p. 528-534.
Kernuitspraken
- HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0806 (meter, goed doel)
- HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3144 (onbruikbare contactgegevens)
- HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3546 (bonafide internetondernemer)
- HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:326 (proefrit)
- HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 (overzichtsarrest)
- HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:28 (garantiefonds)
- HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1691 (politiemol, art. 138ab Sr)
- HR 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1015 (onuitgewerkte hoedanigheid)
- Concl. A-G Van Kampen, ECLI:NL:PHR:2026:943, vóór HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1593 (integere bestuurder)
- EHRM 17 oktober 2017, nr. 101/15 (Navalnyye/Rusland)
HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0806 (concl. A-G P.C. Vegter), NJ 2012/661, r.o. 2.5 (‘voor de meter’); HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3144 (concl. A-G P.C. Vegter), NJ 2014/518, r.o. 3.3 (bonafide verkoper). Beide arresten worden als voorbeeld aangehaald in HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, r.o. 2.3.4 (zie noot 4). ↩︎
Verslag van de Tweede Kamer met Regeeringsantwoord, in: H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, deel II, Haarlem 1881, p. 516, zoals geciteerd in de conclusies van A-G P.C. Vegter, ECLI:NL:PHR:2012:BX0806, nr. 13, en A-G E.J. Hofstee, ECLI:NL:PHR:2014:2260, nr. 13. Ik heb Smidt voor deze bijdrage niet zelf geraadpleegd; zie over de vindplaats ook noot 7. ↩︎
Concl. A-G E.J. Hofstee, ECLI:NL:PHR:2014:2260, nr. 19: de Hoge Raad aanvaardt ‘de opvatting van de strafwetgever van 1886’ niet. De formule ‘de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als bonafide (…)’ staat onder meer in HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4320 (concl. A-G J.W. Fokkens), NJ 2002/262, r.o. 3.3 (huurder); HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3144, r.o. 3.3 (verkoper); HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:326 (concl. A-G E.J. Hofstee), NJ 2015/487, m.nt. M.J. Borgers, r.o. 4.2 (koper). ↩︎
HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889 (concl. A-G A.E. Harteveld, ECLI:NL:PHR:2016:1092), NJ 2017/157, m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.3.4; in gelijke bewoordingen HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892 (concl. A-G A.J. Machielse, ECLI:NL:PHR:2016:1269), NJ 2017/158, m.nt. N. Keijzer. Zie naast de noten van Keijzer ook J.M. ten Voorde, ‘Oplichting nader beschouwd’, AA 2017/6, p. 528-534; de noten van M.L.C.C. de Bruijn-Lückers (JIN 2017/21) en D.J. van Leeuwen (NbSr 2017/7); en S. Buisman, ‘Oplichting: een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen’, DD 2017/75, p. 781-803. ↩︎
Wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 33 (gegevens ‘met geldswaarde in het handelsverkeer’); Wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11 (maximum van drie naar vier jaar); Wet van 12 juni 2009, Stb. 2009, 245, in zoverre in werking getreden op 1 april 2010 (Stb. 2010, 139) (‘verlenen van een dienst’; schrapping van ‘met geldswaarde in het handelsverkeer’). Zie Kamerstukken II 2007/08, 31386, nr. 3, p. 19-20. ↩︎
MvT bij titel XXV, Smidt II, 1882, p. 545, aangehaald in HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, r.o. 2.1.3. ↩︎
Smidt II, p. 519, aangehaald in de conclusie van A-G G. Knigge, ECLI:NL:PHR:2006:AU5719, nr. 29, vóór HR 4 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5719, NJ 2006/398. Over de vindplaatsen in Smidt lopen de bronnen uiteen. De Hoge Raad citeert de MvT uit de uitgave van 1882 (p. 545), de A-G’s citeren dezelfde en aanpalende passages uit een uitgave van 1881 (p. 513-519). Ik geef ze weer zoals zij in de rechtspraak en de conclusies staan. ↩︎
Zie noot 2. Ook A-G Vegter (concl. ECLI:NL:PHR:2012:BX0806, nr. 13) leidt hieruit af dat voor naam en hoedanigheid ‘een enkele leugen wel voldoende kan worden geacht’. ↩︎
Concl. A-G E.J. Hofstee, ECLI:NL:PHR:2014:2260, nr. 15. ↩︎
Concl. A-G P.C. Vegter, ECLI:NL:PHR:2012:BX0806, nr. 14: ‘De wetgever heeft voor het bestanddeel van het aannemen van een valse hoedanigheid geen criteria aangedragen’. ↩︎
D. Simons, Leerboek van het Nederlandsche strafrecht, 1941, p. 157-158; J.M. van Bemmelen & W.F.C. van Hattum, Hand- en leerboek van het Nederlandse strafrecht, 1954, p. 332; J.W. Fokkens, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Wetboek van Strafrecht, art. 326 Sr, aant. 9 (bijgewerkt tot 1 februari 2010). Ik ken deze passages uit de weergave in de conclusies van A-G Vegter, ECLI:NL:PHR:2012:BX0806, nrs. 14-15 en vn. 9, A-G Hofstee, ECLI:NL:PHR:2014:2260, nr. 15, en A-G Jörg, ECLI:NL:PHR:2005:AT7587, nr. 13. ↩︎
HR 15 januari 1940, NJ 1940/341 (Evangelische Stads- en Landzending); HR 9 mei 1961, NJ 1962/65 (tomatenmanden); HR 9 mei 1972, NJ 1972/415 en HR 18 september 1978, NJ 1978/658 (rekeninghouder met saldo). Deze arresten staan niet met tekst in de open data van de Rechtspraak. Ik ken ze uit de weergave in de conclusies van A-G Vegter, ECLI:NL:PHR:2012:BX0806, nr. 15, en A-G Schipper, ECLI:NL:PHR:2008:BF5074, vn. 11. ↩︎
HR 9 mei 1961, NJ 1962/65, zoals aangehaald door A-G Vegter (vorige noot); HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0806, r.o. 2.3. ↩︎
HR 23 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5205 (concl. A-G J. Wortel), r.o. 4.3 (een uitleveringszaak). ↩︎
HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0806, r.o. 2.3 (goed doel) en 2.5 (meter). Vgl. ook HR 25 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7685 (concl. A-G A.J. Machielse), NJ 2007/532, r.o. 4.4 (‘bonafide bemiddelaar in financiële diensten en vertrouwenspersoon’), waarin A-G Machielse (nr. 4.8) spreekt van ‘misbruik (…) van een zeker gekwalificeerd vertrouwen’, ontleend ‘aan een bepaalde beroepsmatigheid’. ↩︎
HR 10 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:AC1299, NJ 1998/497, m.nt. J. de Hullu, zoals letterlijk geciteerd in de conclusie van A-G F.W. Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2008:BF0199, nr. 4.6.6. Vgl. voor de hotelgast HR 22 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8532, NJ 1990/801. ↩︎
De noot van De Hullu bij NJ 1998/497, zoals aangehaald door A-G Vegter, ECLI:NL:PHR:2009:BK4866, nr. 3.5: ‘Het is nu eenmaal ondoenlijk om in een restaurant met een voorschot of een borg te werken.’ ↩︎
Concl. A-G A.J.A. van Dorst vóór HR 15 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1177, NJ 1999/182, nrs. 7.1, 9.1-9.3 en 10.1-10.2, zoals uitvoerig geciteerd door A-G Knigge, ECLI:NL:PHR:2006:AU5719, nrs. 32-34. Arrest en conclusie staan niet met tekst in de open data. ↩︎
Concl. A-G J. Wortel vóór HR 7 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1729, NJ 2000/383, zoals geciteerd door A-G Vegter, ECLI:NL:PHR:2015:1764, nr. 16; vgl. concl. A-G Fokkens, ECLI:NL:PHR:2001:AD4320, nr. 4. ↩︎
Concl. A-G P.C. Vegter, ECLI:NL:PHR:2012:BX0806, nr. 15; overgenomen door A-G Harteveld, ECLI:NL:PHR:2015:1020 en ECLI:NL:PHR:2016:1092, nr. 3.5, en door A-G Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2016:208, nr. 11. ↩︎
HR 14 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:AC3599, NJ 1991/750, m.nt. Th.W. van Veen, zoals letterlijk geciteerd door A-G Hofstee, ECLI:NL:PHR:2014:2260, nr. 20. ↩︎
HR 15 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1177, NJ 1999/182 (tuinmeubelen; geen tekst in de open data, weergave volgens de conclusies van onder meer A-G Vegter, ECLI:NL:PHR:2009:BK4866, nr. 3.5); HR 13 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4320, r.o. 3.3 (laserapparaat). Zie ook HR 7 april 1998, NJ 1998/498, m.nt. J. de Hullu (koper van een auto), aangehaald door A-G Keijzer, ECLI:NL:PHR:2000:AA7307, nr. 9. ↩︎
HR 2 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4208 (concl. A-G A.J. Machielse), NJ 2010/600, r.o. 3.5; eerder al HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8638 (concl. A-G N. Jörg), r.o. 2.3.1. ↩︎
Noot Van Veen bij NJ 1991/750, zoals aangehaald door A-G Vegter, ECLI:NL:PHR:2014:1965, nr. 18. ↩︎
HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3144, r.o. 3.3. ↩︎
Concl. A-G P.C. Vegter, ECLI:NL:PHR:2014:1965, nr. 25; zie ook nr. 24 (uitzondering ‘indien de verkoper er op uit is om de gebruikelijke beveiligingsmaatregelen te frustreren’). ↩︎
HR 17 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:326, r.o. 4.2. ↩︎
HR 7 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1805 (concl. A-G A.E. Harteveld), r.o. 2.3. ↩︎
HR 26 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1336 (concl. A-G G. Knigge), NJ 2015/270, r.o. 3.3. ↩︎
HR 9 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3546 (concl. A-G E.J. Hofstee), NJ 2015/146, m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.2.1-3.2.2. ↩︎
Concl. A-G G. Knigge, ECLI:NL:PHR:2015:669, nrs. 4.7-4.8. ↩︎
HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2889, inhoudsindicatie. De hierna geciteerde overwegingen staan in r.o. 2.2.1-2.5 van beide arresten. ↩︎
Concl. A-G A.J. Machielse, ECLI:NL:PHR:2016:1269, nr. 4.2; HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892, r.o. 3.3. ↩︎
Vgl. concl. A-G T.N.B.M. Spronken, ECLI:NL:PHR:2016:272, nrs. 16-19, vóór HR 19 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:685 (art. 81 RO): een scooter met een gewijzigd chassisnummer verkopen is een leugen over het product, niet over de hoedanigheid van de verkoper. ↩︎
J.M. ten Voorde, ‘Oplichting nader beschouwd’, AA 2017/6, p. 529-532. ↩︎
S. Buisman, ‘Criminalising the violation of civil law standards: The Dutch criminalisation debate on breaches of sale contracts’, in: P. van Berlo e.a. (red.), Over de grenzen van de discipline (Meijers-reeks 281), Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 49-69; S.S. Buisman, Contract, Tort & Crime. Criminalisation of breaches of sales contracts under Dutch and EU law (diss. Tilburg), Tilburg: Studio 2019; S. Buisman, ‘De strafbaarstelling van fraude onder Nederlands, Engels en Duits recht’, AA 2020/9, p. 845-849; S. Buisman, ‘De strafrechtelijke aanpak van fraude op online handelsplatforms’, TBS&H 2020, afl. 2, p. 69-74. Zie over het proefschrift ook C. Mak, DD 2022/9, p. 149-155. Ik ken deze publicaties uit hun samenvattingen; de gedachtegang heb ik niet uit de volledige tekst kunnen controleren. ↩︎
Bijvoorbeeld HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1517 (concl. A-G T.N.B.M. Spronken, ECLI:NL:PHR:2024:938), r.o. 2.2: ‘De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 tot en met 2.3 en 3.2 tot en met 3.6.’ ↩︎
HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:20 (concl. A-G G. Knigge, ECLI:NL:PHR:2015:478), NJ 2017/159, m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.3. ↩︎
HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:724 (concl. A-G A.J. Machielse, ECLI:NL:PHR:2017:300), r.o. 4.4; concl. nr. 5.3. ↩︎
HR 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1015 (concl. A-G B.F. Keulen, ECLI:NL:PHR:2024:612), r.o. 2.3; concl. nr. 21. ↩︎
HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:28 (concl. A-G E.J. Hofstee, ECLI:NL:PHR:2016:1316), NJ 2017/162, m.nt. N. Keijzer, r.o. 3.3. ↩︎
Concl. A-G E.J. Hofstee, ECLI:NL:PHR:2016:1316, nrs. 22 en 24. ↩︎
HR 28 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3030 (concl. A-G T.N.B.M. Spronken, ECLI:NL:PHR:2017:1295) (art. 81 RO). ↩︎
HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1517, r.o. 2.2, met overname van concl. A-G T.N.B.M. Spronken, ECLI:NL:PHR:2024:938, nrs. 3.5-3.6. Vgl. al HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:718 (concl. A-G F.W. Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2017:293) (art. 81 RO): bestellen en ophalen op naam van bekende bouwbedrijven. ↩︎
HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:652 (concl. A-G E.J. Hofstee, ECLI:NL:PHR:2019:221), NJ 2019/194, r.o. 2.6. ↩︎
Concl. A-G P.M. Frielink, ECLI:NL:PHR:2026:687, nr. 3.9, vóór HR 18 augustus 2026, ECLI:NL:HR:2026:1349 (art. 81 RO). ↩︎
Concl. A-G D.J.M.W. Paridaens, ECLI:NL:PHR:2022:526, nr. 12, vóór HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1139 (art. 81 RO). ↩︎
HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1073 (concl. A-G A.E. Harteveld, ECLI:NL:PHR:2018:472, anders), r.o. 2.3. ↩︎
HR 9 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:27 (concl. A-G A.E. Harteveld, ECLI:NL:PHR:2017:1265), r.o. 5.2; zie concl. nr. 5.7. ↩︎
HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:21 (concl. A-G P.C. Vegter, ECLI:NL:PHR:2015:1764), NJ 2017/160, m.nt. N. Keijzer, r.o. 2.3. ↩︎
HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:391 (concl. plv. A-G D.J.M.W. Paridaens, ECLI:NL:PHR:2019:48, nrs. 6.4 en 6.6) en HR 2 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1792 (concl. A-G V.M.A. Sinnige, ECLI:NL:PHR:2025:989) (beide art. 81 RO). ↩︎
Concl. A-G V.M.A. Sinnige, ECLI:NL:PHR:2025:989, nr. 4.11. ↩︎
Concl. A-G G. Knigge, ECLI:NL:PHR:2019:76, nr. 6.6, vóór HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:512, NJ 2019/166 (in zoverre art. 81 RO). ↩︎
HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1361 (concl. A-G D.J.M.W. Paridaens, ECLI:NL:PHR:2022:644), NJ 2022/324, r.o. 2.4. ↩︎
Concl. A-G D.J.C. Aben, ECLI:NL:PHR:2023:409, nr. 16, vóór HR 6 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:753 (art. 81 RO); concl. A-G P.M. Frielink, ECLI:NL:PHR:2026:687, nr. 3.14; concl. A-G T.N.B.M. Spronken, ECLI:NL:PHR:2024:938, nr. 3.6. ↩︎
HR 21 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1608 (concl. A-G D.J.C. Aben), NJ 2023/358 (art. 231b Sr); HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:67 (concl. A-G T.N.B.M. Spronken), NJ 2024/266, m.nt. K.K. Lindenberg (witwassen). ↩︎
HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1593 (concl. A-G P.T.C. van Kampen, ECLI:NL:PHR:2026:943), r.o. 2 (art. 81 RO); in samenhang met HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1594, ECLI:NL:HR:2026:1617 en ECLI:NL:HR:2026:1618 (concl. A-G Van Kampen, ECLI:NL:PHR:2026:808, ECLI:NL:PHR:2026:809 en ECLI:NL:PHR:2026:970). Eerste ronde: HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:107 (concl. A-G D.J.M.W. Paridaens, ECLI:NL:PHR:2021:891), cassatie wegens een gebrek in de bewijsmotivering; zie ook HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:109, NJ 2023/134, m.nt. K.K. Lindenberg. De bewezenverklaring is geciteerd in concl. ECLI:NL:PHR:2026:943, nr. 3.1. ↩︎
Concl. A-G P.T.C. van Kampen, ECLI:NL:PHR:2026:943, nrs. 4.11, 4.12 en 4.15. ↩︎
Concl. A-G P.T.C. van Kampen, ECLI:NL:PHR:2026:943, nr. 4.9. ↩︎
Concl. A-G D.J.M.W. Paridaens, ECLI:NL:PHR:2021:891, nrs. 36-39 en 47-49. ↩︎
HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1691 (concl. A-G T.N.B.M. Spronken, ECLI:NL:PHR:2021:777), NJ 2022/54, m.nt. J.M. ten Voorde, r.o. 2.4.3. Cassatie bleef uit, omdat de bewezenverklaring ook steunde op het gebruik van een valse sleutel (r.o. 2.4.2). ↩︎
Concl. A-G D.J.C. Aben, ECLI:NL:PHR:2017:1225, nr. 34, vóór HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2955, NJ 2018/309, m.nt. H.D. Wolswijk. ↩︎
Concl. A-G B.F. Keulen, ECLI:NL:PHR:2020:25, nrs. 11 en 15, vóór HR 3 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:327 (art. 81 RO). Keulen haalt (nr. 12) P.J. van den Hout, Oplichting: knooppunt van valsheid en bedrog (diss. Tilburg), Arnhem: Gouda Quint 1993, p. 85 aan, volgens wie de verschuiving van de grens van oplichting ‘vooral bereikt’ is ‘door een ruime uitleg van het “aannemen van een valse hoedanigheid”’. Ik heb Van den Hout niet zelf ingezien. ↩︎
HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:652, r.o. 2.6; vgl. HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2955, r.o. 3.5: dat nader onderzoek de misleiding aan het licht had kunnen brengen, ‘brengt niet mee dat een beoogd slachtoffer die onjuiste voorstelling van zaken ook zonder nader onderzoek had moeten doorzien’. ↩︎
HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3144, r.o. 3.3; vgl. concl. A-G Bleichrodt, ECLI:NL:PHR:2016:208, nrs. 15-16. ↩︎
Concl. A-G A.E. Harteveld, ECLI:NL:PHR:2016:1092, nrs. 4.5-4.7, met een vergelijking met HR 19 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:AD1526, NJ 1992/124, m.nt. A.C. ’t Hart (gestolen pinpas). ↩︎
Concl. A-G P.T.C. van Kampen, ECLI:NL:PHR:2026:943, nrs. 4.5 en 4.9; ECLI:NL:PHR:2026:808, nr. 5.4. ↩︎
Wet van 12 mei 1928, Stb. 1928, 176. ↩︎
Wet van 29 maart 2016, Stb. 2016, 133, in werking getreden op 1 juli 2016 (Stb. 2016, 228); Kamerstukken II 2012/13, 33712, nr. 3, p. 11. ↩︎
Wet van 27 juni 2018, Stb. 2018, 322 (Wet computercriminaliteit III), in werking getreden op 1 maart 2019 (Stb. 2019, 67); Kamerstukken II 2015/16, 34372, nr. 3, p. 73-74 en 83. In het wetsvoorstel heette de bepaling art. 326d; door samenloop met de acquisitiefraudewet werd het art. 326e. ↩︎
Kamerstukken II 2016/17, 34372, nr. 6, p. 118. ↩︎
Zie mijn bijdrage Het enkele voorhanden hebben, par. 8.2. ↩︎
A. van Uden, N. Nijhuis & M. van der Meer, Evaluatie Wet Computercriminaliteit III (WODC Cahier 2025-10), Den Haag: WODC 2026, p. 14 en 93, als bijlage aangeboden aan de Tweede Kamer op 15 januari 2026. ↩︎
Wet van 23 december 1992, Stb. 1993, 33 (toen art. 138a); herschreven bij Wet van 1 juni 2006, Stb. 2006, 300; vernummerd tot art. 138ab bij Stb. 2010, 320. De MvT wordt geciteerd in HR 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1691, r.o. 2.3.3. ↩︎
Wet van 27 september 2019, Stb. 2019, 311, art. II, onderdeel G; amendement-Groothuizen c.s., Kamerstukken II 2018/19, 35080, nr. 20 (ter vervanging van nr. 6), met verwijzing naar HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892. De minister liet het oordeel aan de Kamer en had bij het amendement ‘een positief gevoel’ (Handelingen II 2018/19, nr. 83, item 9). ↩︎
Wet van 4 november 2021, Stb. 2021, 544; Kamerstukken II 2019/20, 35564, nr. 3, p. 36. ↩︎
In HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1118 (concl. A-G B.F. Keulen, ECLI:NL:PHR:2025:780), NJ 2025/211, was een babbeltruc als ‘loodgieter’ als diefstal met een valse hoedanigheid bewezenverklaard. De bewijsklacht werd met art. 81 RO afgedaan. ↩︎
Wet van 25 februari 2021, Stb. 2021, 203; Kamerstukken II 2020/21, 35656, nr. 3, p. 7. ↩︎
EHRM 25 mei 1993, nr. 14307/88, ECLI:CE:ECHR:1993:0525JUD001430788 (Kokkinakis/Griekenland), § 52. ↩︎
EHRM 22 november 1995, nr. 20166/92, ECLI:CE:ECHR:1995:1122JUD002016692 (S.W./Verenigd Koninkrijk), § 36; EHRM (GK) 20 oktober 2015, nr. 35343/05, ECLI:CE:ECHR:2015:1020JUD003534305 (Vasiliauskas/Litouwen), §§ 154-155. ↩︎
EHRM (GK) 21 oktober 2013, nr. 42750/09, ECLI:CE:ECHR:2013:1021JUD004275009 (Del Río Prada/Spanje), §§ 91-93. ↩︎
EHRM 6 oktober 2011, nr. 50425/06, ECLI:CE:ECHR:2011:1006JUD005042506 (Soros/Frankrijk), §§ 52-53 en 59. ↩︎
HR 18 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6579 (concl. A-G A.J. Machielse), NJ 2006/11, r.o. 3.4. ↩︎
HR 16 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:12 (concl. A-G E.J. Hofstee), NJ 2024/46, r.o. 3.4.1-3.4.2 (misbruik van functie, art. 2:354 SrC). ↩︎
EHRM 17 oktober 2017, nr. 101/15, ECLI:CE:ECHR:2017:1017JUD000010115 (Navalnyye/Rusland), §§ 63-68; zie ook §§ 81-84 (art. 6 EVRM). Vgl. EHRM 23 februari 2016, nrs. 46632/13 en 28671/14, ECLI:CE:ECHR:2016:0223JUD004663213 (Navalnyy en Ofitserov/Rusland), §§ 112-115, waar het Hof een veroordeling wegens verduistering voor ‘acts indistinguishable from regular commercial middleman activities’ onder art. 6 als willekeurig aanmerkte. ↩︎
EHRM 25 juni 2009, nr. 12157/05, ECLI:CE:ECHR:2009:0625JUD001215705 (Liivik/Estland), §§ 100-101. ↩︎
HvJ EU (GK) 5 december 2017, C-42/17, ECLI:EU:C:2017:936 (M.A.S. en M.B.), punten 51-56; HvJ EG (GK) 3 mei 2007, C-303/05, ECLI:EU:C:2007:261 (Advocaten voor de Wereld), punten 49-50. ↩︎
Richtlijn (EU) 2019/713 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende fraudebestrijding en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten, art. 6. ↩︎
HvJ EG 16 juli 1998, C-210/96, ECLI:EU:C:1998:369 (Gut Springenheide en Tusky), punt 31; Richtlijn 2005/29/EG (oneerlijke handelspraktijken), overweging 18 en art. 5 lid 3. ↩︎
Richtlijn (EU) 2015/2366 (PSD2), art. 74 lid 1 en overweging 72. ↩︎
Kifid Commissie van Beroep 20 april 2026, nr. 2026-0022, onder verwijzing naar art. 7:528-529 BW; de Commissie komt terug van haar uitspraak van 7 februari 2025, nr. 2025-0012. ↩︎
Voorstel voor een verordening betreffende betalingsdiensten in de interne markt, COM(2023) 367 final, art. 59 lid 1 (‘impersonation fraud’). Het artikelnummer in de tekst van het politiek akkoord heb ik niet kunnen controleren. ↩︎
Concl. A-G A. Rantos 5 maart 2026, C-70/25, ECLI:EU:C:2026:153 (N.O./PKO BP). ↩︎
Art. 313-1 Code pénal (versie sinds 1 januari 2002). ↩︎
Art. 496 Belgisch Strafwetboek 1867 (gewijzigd bij wet van 12 juli 2023); art. 479 van boek II van het nieuwe Strafwetboek (wet van 29 februari 2024, BS 8 april 2024). Volgens de Belgische wetgevingsdatabank Justel is het oude wetboek per 1 september 2026 opgeheven. ↩︎
§ 263 Abs. 1 StGB. Vgl. ook § 132 StGB (Amtsanmaßung). ↩︎
HR 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1593, r.o. 2, met verwijzing naar art. 81 lid 1 RO. ↩︎
Citeren
D. van Leeuwen, ‘Het enkele zich voordoen’, blog.dirk-van-leeuwen.eu 11 oktober 2026, https://blog.dirk-van-leeuwen.eu/posts/het-enkele-zich-voordoen/.
BibTeX
@online{vanleeuwen2026het,
author = {van Leeuwen, Dirk},
title = {Het enkele zich voordoen},
subtitle = {De valse hoedanigheid bij oplichting (art. 326 Sr), de grens met wanprestatie en de koers van het Nederlandse strafrecht},
date = {2026-10-11},
organization = {blog.dirk-van-leeuwen.eu},
url = {https://blog.dirk-van-leeuwen.eu/posts/het-enkele-zich-voordoen/},
langid = {dutch}
}